Friday, May 11, 2018

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende opinieartikel (althans, een eerdere versie ervan, door een misverstandje kon deze ietwwat verbeterde versie niet meer mee) stond vorige week in de 70-jaar-Israel bijlage van het Friesch Dagblad. Daarnaast zijn er de afgelopen twee weken vier door mij gemaakte interviews in de krant verschenen: met een politiek actieve leerling van mijn school, met een vriend van mij uit Beit Jalla, met MK rabbijn Yehuda Glick, en met de rabba (een vrouwelijke rabbijn) van onze gemeente.



De honing en de angel

Het 70-jarige bestaan van de staat Israёl is een mooie gelegenheid om blijk te geven van dankbaarheid, vreugde en trots. Tegelijkertijd is ook een zekere bezorgdheid op zijn plaats.

Eén van de redenen waarom ik al van Israёl hield lang voordat ik er heen ging, is 's lands rijke traditie van liedjes en gedichten. Naomi Shemer (1930-2004) was één van de belangrijkste Israёlische liedjesschrijvers. Haar werk is in vrijwel elke Hebreeuwse Best of… verzameling te vinden. Lu Yehi (de Israёlische variant op Let It Be), Yerushalim Shel Zahav (Jeruzalem van goud), Al Kol Ele (Over dit alles), het zijn zomaar drie illustraties uit een prachtig, uitgebreid oeuvre. In Al Kol Ele richt de zanger(es) zich tot God, en vraagt Hem over ons te waken: “Over dit al / Houd alstublieft voor mij de wacht, mijn goede God / Over de honing en de angel / Over het bittere en over het zoete”. De metafoor van de honing en de angel leek mij een mooie insteek voor een persoonlijke overpeinzing bij 70 jaar Israёl.

De angel en het bittere

De feestelijke ceremonie en show die de festiviteiten van de zeventigste Yom Ha’Atsma’ut (Onafhankelijkheidsdag) openden, bevatten enkele van de elementen die veel Israёliёrs en vrienden van Israёl al lange tijd zorgen baren. Aan de ceremonie ging een wekenlange machtsstrijd vooraf, tussen enerzijds Yuli Edelstein – de voorzitter van de Knesset, het Israёlische parlement – en anderzijds premier Netanyahu en zijn trouwste en meest luidkeelse volgelinge, minister van sport en cultuur Miri Regev, die verantwoordelijk is voor de feestelijkheden rond Israёls zeventigste verjaardag. Van oudsher is de voorzitter van de Knesset de gastheer bij de officiёle ceremonie op Onafhankelijkheidsdag. Die persoon vertegenwoordigt immers de consensus en de democratische waarden van het land. De premier en de president zijn te gast op het feest, maar ze houden volgens het gebruikelijke protocol geen toespraken. Netanyahu voerde twintig jaar geleden als eerste minister-president het woord bij de ceremonie, en stond erop dat dit jaar wederom te doen. Edelstein had gedreigd niet te komen als Bibi zou spreken, maar er werd een compromis bereikt: de premier zou een korte gelukwens uitspreken. Dit werd een politieke speech van ruim een kwartier. Volgens sommige commentatoren was het niets anders dan een prime-time verkiezingstoespraak. Yuli Edelstein is een dappere, zachtaardige en hoogst beschaafde man. Hij behoorde in de jaren 70 en 80 tot de ‘Gevangenen van Zion’, de zogenaamde refuseniks, Joodse activisten die in de voormalige Soviet Unie voor het recht op emigratie naar Israёl pleitten. Net als vele anderen werd hij daarom in de Goelag gevangengezet. De Knessetvoorzitter, zelf lid van de Likoed, gaf na afloop van de plechtigheid voor de camera toe dat zijn vertrouwen door Regev en Netanyahu was geschonden. Wat een demonstratie van eenheid, gedeelde waarden en verdraagzaamheid had moeten zijn, werd uiteindelijk een controversiёel evenement, een soortement verjaarspartijtje van Bibi en Miri. Ronny Daniel, een ervaren militair analist voor één van de nieuwszenders, en niet bepaald uitgesproken links, noemde de ceremonie – volgens hem uiterst belangrijk en symbolisch, omdat het de overgang van herdenking naar viering symboliseert – roekeloos. Hij stelde dat we van een democratie in een koninkrijk zijn veranderd, en dat Netanyahu ons als onderdanen behandelt. Dit is typerend voor iets wat veel Israëliërs verontrust. Vroeger – in het Israёl dat mij altijd gefascineerd heeft – draaide alles hier voornamelijk om het collectief. Dat was niet ideaal, en vele fouten werden ook toen gemaakt. Maar het algemeen belang en het gemeenschapsgevoel lijken inmiddels soms te hebben plaatsgemaakt voor zelfverrijking en -verheerlijking. In plaats van consensus en solidariteit heersen daardoor nu meer dan ooit tevoren verdeeldheid en polarisatie.

Een tweede element schitterde juist door afwezigheid bij de feestelijkheden: de Arabische bevolking van Israёl. In het ceremoniële deel, waarbij twaalf eminente burgers (plus dit jaar de premier) toortsen ontstaken, was er nog ruimte voor de Druzische spirituele leider Sjeik Mowafak Tarif. In de show daarna – waarin hoofdstukken uit de geschiedenis van het Joodse volk werden uitgebeeld, met een nadruk op de immigratie in de vorige eeuw – ontbraken Arabische Israёliёrs echter geheel. De enige verwijzing naar de Arabische cultuur, taal of bevolking die ik kon ontdekken was een schoolbord in een klas waarin Joodse immigranten uit Arabische landen (d.w.z. acteurs die die immigranten uitbeeldden) Hebreeuwse les kregen. Op dat bord stond in het Arabisch ’Ard ’Isra’il (het Land Israёl) geschreven. Dat de Palestijnen niet voor het feestje waren uitgenodigd kan ik begrijpen. Het moest immers natuurlijk wel leuk en gezellig blijven, en niemand wilde aan de ‘olifant in de kamer’ worden herinnerd. Maar dat ongeveer een vijfde deel van onze eigen bevolking volkomen genegeerd werd is natuurlijk niet goed te praten. En dan vonden velen het nog ongepast, onbegrijpelijk en ondankbaar dat ten zuiden van Haifa enkele duizenden Arabische Israёliёrs in plaats van Onafhankelijkheidsdag Yaum al-Nakba (dag van de catastrophe) ‘vierden’.

Israёl staat vaak alleen. Er is al zeventig jaar lang geen gebrek aan landen en wereldburgers die Israёl het liefst zouden zien verdwijnen. En zo’n gebrek zal er ook in de toekomst niet zijn. Gelukkig zijn er ook velen die het land steunen. Jammer genoeg heeft Israёl thans ook een flink aantal vrienden bij wier vriendschap je vraagtekens kunt zetten. Donald Trump, om maar een voorbeeld te noemen, mag dan luidkeels zijn vriendschap betuigen, zijn Syrië-beleid laat zien dat Israël tegenover Rusland en Iran tachles (per saldo) niet op hem hoeft te rekenen. Dit doet het ergste vrezen voor toekomstige confrontaties met die twee formidabele tegenstanders. Israёl is hieraan medeschuldig. Bij de meeste kritiek die richting Jeruzalem wordt geuit, schermen regeringswoordvoerders al gauw haast automatisch met het a-woord of z-woord: antisemitisme danwel (Joodse) zelfhaat. Dit gebeurt ook als de critici hun sporen als vrienden van Israёl ruimschoots verdiend hebben. Tezelfdertijd wordt zelfs het meest onbeduidende land dat laat doorschemeren dat het overweegt zijn ambassade naar Jeruzalem te verhuizen, door de regering als allerbeste vriend omarmd. Steun voor een verenigd Jeruzalem (en daarmee ontkenning van de de facto verdeeldheid van de stad, en van haar potentieel als centrum voor vrede en verzoening) is voor de regering Netanyahu feitelijk de lakmoestest voor vriend- en vijandschap geworden, meer dan daadwerkelijke bijstand en medewerking.

Andere zorgwekkende elementen in de Israёlische maatschappij en politiek vandaag de dag laat ik maar buiten beschouwing. Corruptie, racisme, de kloof tussen arm en rijk, onderdrukking van de Palestijnen, de buitenproportionele macht van de ultra-orthodoxe partijen, pogingen om andersdenkenden de mond te snoeren en de invloed van het Hooggerechtshof (dikwijls de laatste toevlucht voor minderheden in dit land) te beknotten, het zijn maar een paar voorbeelden van negatieve ontwikkelingen die weliswaar niet onder deze regering begonnen maar die zij zeker niet gestopt, ja zelfs menigmaal aangewakkerd heeft. De laatste jaren is er een immer groeiende groep vrienden van Israёl die zich, samen met kritische Zionistische Israёliёrs in het land zelf, om al die redenen afvragen waar Israёl naar toe gaat, en hoe het verder moet en kan. Dat Natalie Portman, een in Jeruzalem geboren Amerikaans-Israёlische actrice die altijd haar steun voor haar vaderland heeft uitgesproken, onlangs weigerde naar Israёl te komen om de zeer prestigieuze Genesis-prijs in ontvangst te nemen spreekt boekdelen. Mevrouw Portman voelde zich ongemakkelijk door recente gebeurtenissen bij de grens met Gaza (waarbij tientallen Palestijnse slachtoffers vielen) en wilde niet de schijn wekken dat ze door haar aanwezigheid Netanyahu – één van de sprekers bij de prijsuitreiking – steunde. Dat deze ontegenzeggelijke vriendin van Israёl door Miri Regev werd afgeschilderd als een noitoire Israёl-haatster kwam niet als een verrassing. Evenmin als de oproep, door een vanwege wangedrag tijdelijk geschorst Knessetlid (en partijgenoot van Regev en Netanyahu), om Natalie Portman haar Israёlische paspoort te ontnemen.

De zoete honing

Ondanks alle zorgen en kritiek zijn er ook en vooral veel redenen voor dankbaarheid, trots en vreugde. Het is bijna letterlijk ongelooflijk hoeveel hier in zeventig jaar bereikt is, zeker als je nagaat in wat voor situatie het Joodse volk zich in 1948 bevond. De oude Zionistische slogan (“Een land zonder volk voor een volk zonder land”) is inmiddels achterhaald, we weten nu allemaal dat hier ook voor 1948 én voor de komst van de Joodse immigranten vanaf het einde van de 19e eeuw mensen woonden. Van de inwoners van het laat-19e eeuwse Ottomaanse Palestina was zo'n 85% moslim, 10% christen, en 5% van de bevolking was (vooral religieus) Joods. Maar de Joodse immigranten die hier sindsdien naar toe zijn gekomen – en hun nazaten –  hebben onloochenbaar diverse revoluties teweeggebracht. Of je het nu hebt over gezondheidszorg, landbouw, watermanagement, technologie in het algemeen of IT in het bijzonder, Israёlische wetenschappers en ondernemers (waaronder vanzelfsprekend ook Arabische Israëliërs) hebben op diverse gebieden de wereld verbeterd. We kunnen ons in menig opzicht met de meest ontwikkelde landen ter wereld meten. Bovendien is en blijft het land ondanks alles een naar omstandigheden redelijk functionerende democratie. Zeker als je het in de regionale context plaatst, al vind ik dat meestal een bezwaarlijk argument. Ik wil niet met Iran, Syriё, Egypte etc. worden vergeleken. Maar toch. Wat betreft persvrijheid en rechten voor religieuze minderheden en voor de LHBT gemeenschap, kan het misschien nog beter maar ongetwijfeld ook veel slechter. Ook is de kwaliteit van leven hier erg hoog, Israëliërs weten hoe je van het leven kunt genieten.

Als ik op mijn eigen tijd in Israёl (ruim de helft van mijn leven, 37% van zijn bestaan) terugkijk, betreft mijn grootste vreugde en dankbaarheid de vele goede vrienden die ik de afgelopen 26 jaar heb gemaakt. Daarmee bedoel ik zowel mijn Israёlische vrienden als de Duitse, Nederlandse, Amerikaanse en andere buitenlandse vrienden van Israёl die ik heb ontmoet. Zoals ik al eerder in deze krant schreef zijn Israёlische vrienden vaak de beste vrienden die je je kunt wensen. Al mijn vrienden hier zijn hartelijk, warm en gastvrij. Ik weet dat ik zonodig op hen kan vertrouwen en terugvallen. Wat me evenwel nog meer dan alles ontroert en verbaast is de vriendschap voor Israёl die ik onder buitenlandse vrienden, kennissen en collega’s tegenkom. Die vriendschap komt deels – ik herinner me dat nog uit mijn jeugd, en zie dat ook in reacties op mijn schrijfsels – voort uit liefde voor het Joodse volk als volk Gods, en uit schuldgevoelens over de Holocaust. Maar veel van onze vrienden zien Israёl ook nog immer – los van de Bijbel en de Tweede Wereldoorlog – als een teken van hoop, en als een baken van democratie en vooruitgang. Het is van levensbelang  voor Israёl (én indirect ook voor de Palestijnen) dat we die hoop en dat vertrouwen niet beschamen.

Over het zoete en het bittere

Dat ik in deze beschouwing veel meer ruimte en specifieke aandacht besteed aan de angel dan aan de honing, komt vooral doordat ik het belangrijker en zinvoller vind om dingen te verbeteren dan om onszelf op de borst te slaan. Mijn protestantse achtergrond speelt hierbij wellicht een rol. Daarnaast maak ik me – zoals gezegd niet als enige – steeds meer zorgen om het karakter en de toekomst van dit land. Israël wordt misschien wel Joodser (Joods in de zin van orthodox religieus) maar niet echt democratischer, integendeel. De uitspraak van de Minister van Justitie, Ayelet Shaked (een seculier lid van de overwegend orthodoxe partij Het Joodse Huis, what's in a name), dat "Israël Joods zal blijven, zelfs als dat ten koste gaat van mensenrechten" was geen nonchalante verspreking. Volgens mij laat dit zien dat Israël, ondanks zijn overduidelijke innerlijke kracht en regionale overwicht, nog steeds bang en onzeker is. Die angst is deels gerechtvaardigd maar soms ook sterk overtrokken, en politici – met Netanyahu als absolute meester – maken er grif misbruik van. Het doel van het Zionisme is altijd geweest om de Joden "een vrij volk in ons land" te laten worden, zoals in het volkslied Hatikvah (De Hoop) staat geschreven. Zeventig jaar zijn helaas niet genoeg geweest om dat te bereiken, en niet alleen maar vanwege externe factoren waarover we nauwelijks of geen invloed hebben. Dat is waarom ik – als Zionist, als Jood, en als vader van drie prachtige, trotse Israëlische kinderen – niet alleen blij en trots ben, maar ook bezorgd en zelfs enigszins verdrietig.

 Er zijn diverse liedjes van Naomi Shemer waaruit ik kan citeren om deze reflectie af te sluiten. Als ik heel cynisch was en alle illusies had opgegeven, zou ik de titel HaHagiga Nigmeret (Het feest is afgelopen) kunnen gebruiken, maar ik heb ondanks al mijn bedenkingen, ergernissen en zorgen hoop en vertrouwen op een goede afloop. Het lied Mahar (Morgen) bevat de mooie woorden “Morgen, wanneer het leger zijn uniform uittrekt / Zal ons hart in de houding staan / Daarna zal een ieder met zijn eigen handen bouwen / Wat hij vandaag droomt”, maar het lijkt me bij de huidige stand van zaken iets te optimistisch en onwerkelijk om te dromen van een Israёl dat geen leger meer nodig heeft. Mijn kinderen en kleinkinderen zullen vrijwel zeker nog in dienst moeten, iets waar ik overigens geheel vrede mee heb. Ik kies dus nogmaals voor Al Kol Ele. Dit lied, als een gebed geschreven, is tegelijkertijd realistisch, rust- en hoopgevend: “Mijn God, bewaar dit huis […] / Voor verdriet, voor plotselinge angst / En voor oorlog […] / Alstublieft, houd voor mij de wacht over dit al / En over mijn geliefden / Over de rust, over het gehuil / En over dit lied”. Amen.


Monday, July 24, 2017

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende stuk staat vandaag in het Friesch Dagblad. Mijn column viert daar trouwens deze week zijn verjaardag, al weer twee maanden verschijnt hij iedere vrijdag op de opiniepagina van de krant.

De Bibilebontse Berg
Bert de Bruin
Het is weer eens goed mis in Jeruzalem. De terroristen die onlangs twee politieagenten vermoordden hebben hun zin (dat wil zeggen, de zin van degenen die hen stuurden danwel ïnspireerden) gekregen. Terreur – in de zin van: het zaaien van angst en onrust door middel van gericht grof geweld – werkt, dat blijkt maar weer. Niemand weet nog welk geweld een reactie waarop is, de kip en het ei zijn hier al lang niet meer herkenbaar. Feit is dat opnieuw diverse Israëlische en Palestijnse families om de dood van hun dierbaren rouwen, en dat de Heilige Stad, met daarin de Tempelberg en de Al-Aqsamoskee, wederom in het middelpunt der internationale belangstelling staat.
In de Israëlische media vallen twee hoofdthema’s te herkennen. Constant komt een Hebreeuwse uitdrukking voorbij die ik al eens eerder hier genoemd heb: soms is het beter om wijs te zijn dan gelijk te hebben. Natuurlijk was het plaatsen van metaaldetectors bij de ingang tot de Tempelberg een afgemeten, redelijke veiligheidsmaatregel. Maar zodra je ziet dat zo’n maatregel tot zulke spontane/gestuurde geweldsuitbarstingen leidt, moet je – ik citeer deskundigen van het leger en de Shin Beth, de binnenlandse veiligheidsdienst – je afvragen of die metaaldetectors het bloedvergieten wel waard zijn. Het besluit om ze te laten staan, en dat is het tweede hoofdthema, was een politiek besluit. Waar de veiligheidsdiensten rust en stabiliteit nastreven, is onrust voor sommige politici niet altijd een slechte zaak.
Meteen na de aanslag overlegde Nethanyshu wijselijk met de Palestijnse president, maar kort daarna maakte hij – op weg naar Parijs en Budapest – de beslissing om de metaaldetectors te plaatsen. Snel bleek dat het plaatsen van die poortjes voor veel woede en daarmee geweld onder Palestijnse demonstranten zorgde. Desondanks besloot Bibi de detectors te laten staan. Volgens veel deskundigen deed hij dit vanwege politieke druk vanuit de rechtervleugel binnen zijn toch al rechtse coalitie. Hij wilde niet als pragmatisch en daarmee toegeeflijk worden gezien, dat is immers de grootst denkbare schande en zonde in deze regio, ook wanneer het de enige redelijke optie is.
Tegelijkertijd komt het Nethanyahu niet erg slecht uit dat al ruim een week vrijwel geen grote koppen meer worden gewijd aan de diverse corruptieschandalen waarin hij en/of zijn vertrouwelingen en vrienden een rol spelen. Die affaires worden hier voor de ‘overzichtelijkheid’ aangeduid als de zaken 1000 (sigaren en champagne van buitenlandse vrienden), 2000 (overleg met een kranteneigenaar over meer positieve berichtgeving), 3000 (de aanschaf van Duitse onderzeeboten) en 4000 (vriendschapsbanden tussen Bibi, destijds minister van communicatie, en een grootaandeelhouder van het grootste telecombedrijf in Israël). Zijn vele buitenlandse reizen van de afgelopen maanden slaagden er niet in de media-aandacht van die schandalen af te leiden. Bibi lijkt het overigens buitengewoon goed te kunnen vinden met omstreden of ronduit dubieuze wereldleiders en regeringen. Dat hij nu juist in Boedapest tegen de EU tekeer ging is niet toevallig. Voor hem zijn China, Rusland, India, Polen en Hongarije (plus Egypte en Saoedi-Arabië) aantrekkelijker bondgenoten dan die stomvervelende Westeuropeanen met hun mensenrechten, of die verzwakte Amerikanen met hun onvoorspelbare president. Tja, wat betreft onbaatzuchtig en verantwoordelijk leiderschap zijn de Israëliërs vandaag de dag niet buitenmatig gezegend.
Iets soortgelijks geldt voor de Palestijnen. Ook zij verdienen leiders die niet alleen maar aan hun eigen belangen denken en hun eigen zakken willen vullen, die het lef hebben om moedige compromissen te sluiten, en die het politieke draagvlak hebben om zulke compromissen aan hun bevolking te verkopen. Helaas moeten zij het stellen met aan de ene kant Hamas, die al het geld en alle energie van Gaza in ‘verherbewapening’ voor de volgende oorlog tegen Israël steekt, en aan de andere kant Abu Mazen, die veelal door Israël genegeerd wordt maar er geen probleem mee heeft om – met Israëls hulp – over de rug van de mensen van Gaza (elektriciteits)rekeningen met Hamas te vereffenen.
Door gebrek aan Palestijns en Israëlisch leiderschap, en omdat aan beide kanten meerdere mensen belang hebben bij het voortduren van de status quo (lees: de huidige chaos en ellende), lijkt een oplossing zonder inmenging of druk van buitenaf ondenkbaar. Een derde partij, betrokken maar min of meer neutraal, is nodig om beide partijen naar de onderhandelingstafel te verleiden of te dwingen. Maar zo’n partij moet werkelijk bij zulke onderhandelingen betrokken willen zijn, én politieke en economische kracht hebben en uitstralen. Op dit moment is een bemiddelaar die aan al die criteria voldoet ver te zoeken. Donald Trump heeft haast nog meer juridische kopzorgen dan Bibi, en een krachtig, effectief en visionair buitenlands beleid is wel zo ongeveer het laatste waar deze Amerikaanse regering in geïnteresseerd is. Putin heeft zijn handen vol aan Syrië, de Palestijnen en Israël boeien hem nauwelijks. China heeft nooit een centrale rol in het conflict gespeeld, en ambieert dat ook niet. Wat overblijft is de Europese Unie. Zij heeft – door de nabijheid van het conflict en zijn randverschijnselen – direkt belang bij een oplossing, en ze heeft ook redelijk goede banden met alle betrokken partijen. Jammer genoeg is ook zij te veel met zichzelf en met andere dingen (Rusland, Amerika, Turkije, vluchtelingen) bezig om zich – weer eens – druk te maken om die lastige Israëliërs en Palestijnen. En dus pruttelt de vulkaan (per slot van rekening is dat een vuurspuwende berg) hier vrolijk verder.


Monday, May 08, 2017

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende artikel stond afgelopen vrijdag in het Friesch Dagblad.
Als je alles herdenkt, herdenk je niets

Afgelopen dinsdag vierde Israël haar 69e Onafhankelijkheidsdag. Met de festiviteiten op Onafhankelijkheidsdag wordt ieder jaar de herdenkingsweek afgesloten die begint met de Holocaustgedenkdag en gevolgd wordt door de Gedenkdag voor de gevallenen in Israëls oorlogen en de slachtoffers van terreuracties, een dag voor Onafhankelijkheidsdag. De twee gedenkdagen zijn erg indrukwekkend en vormen een belangrijke schakel in de identiteitsvorming van de ondanks alles nog erg jonge staat. Nederland kan in dat opzicht iets van Israël leren.

Het lijkt soms wel alsof, sinds ik emigreerde, er in Nederland twee nieuwe discussietradities zijn bijgekomen. Vanaf september, wanneer de eerste pepernoten op de schappen liggen, tot december is daar steeds weer de discussie rond de vraag of Piet nu wel of niet zwart mag zijn. Daarnaast wordt keer op keer in april de vraag de nationale groep ingegooid wie we nu eigenlijk op 4 mei (moeten) herdenken. Toen ik – in de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw – in Leerdam opgroeide, wist ik niet beter of de Dodenherdenking ging over Nederlandse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Dat is waar op school en op t.v. alle aandacht naar uitging. Nu begrijp ik dat ook toen al op die dag de gevallenen van álle militaire conflicten vanaf mei 1940 officieel werden herdacht. Maar goed, de Tweede Wereldoorlog staat nog steeds grotendeels centraal, heb ik de indruk, afgaande op het televisieaanbod van gisteravond. En zo hoort het ook, zou ik haast zeggen.

Als je in Israël over ‘de’ oorlog spreekt, moet je meestal aangeven om welke oorlog het gaat. In de 25 jaar dat ik hier woon ben ik al één heuse oorlog ontvlucht, en ik kan alle militaire ‘operaties’ (voor de direkte betrokkenen aan Israëlische, Libanese en Palestijnse zijde waren dat oorlogen, punt uit) die ik hier heb meegemaakt nauwelijks nog uit elkaar halen of dateren. Alleen al waar het gaat om Libanon moet je duidelijk maken of je het over de Eerste (1982) of Tweede (2016) Libanonoorlog hebt. Toch is het op de nationale gedenkdag voor de gevallenen – een week na de gedenkdag voor de slachtoffers van de Holocaust – klaarhelder wie we gedenken: 23,544 gesneuvelde soldaten en 3,117 terreurslachtoffers. Joden, Moslims, Druzen, en Christenen. Bij de militaire slachtoffers worden ook soldaten meegeteld die door (verkeers)ongelukken, zelfmoord of anderszins tijdens hun diensttijd omkomen. Wie ooit gedurende die week in Israël is geweest weet dat de vijf minuten ‘stilte’ (twee minuten op Holocaustgedenkdag, één minuut op de avond voor de gedenkdag voor de gevallenen, plus twee minuten op de dag zelf; tijdens die minuten klinkt een luide sirene door het hele land) erg indrukwekkend zijn en vrijwel unaniem in acht worden genomen. Veel van de wonden aan Israëlische zijde (en onder de Palestijnen, maar dat is een heel andere narrative, die buiten de context van dit artikel valt) zijn dan ook nog erg vers. Toen ik zelf een gloednieuwe immigrant was, stond ik steevast met een brok in mijn keel stil, en nog steeds doen de ceremonies me wat. Met alle verdeeldheid die hier de laatste jaren heerst (en geloof me, die verdeeldheid is enorm), deze gedenkdagen én het leger zijn twee centrale elementen binnen de nationale consensus. De laatste jaren wordt er door een kleine groep een gezamenlijke Palestijns-Joods-Israëlische herdenking gehouden, volgens mij een mooi en waardevol gebaar, maar dat zal binnen afzienbare tijd geen mainstream event worden, zeker niet zolang vrede een illusie lijkt te blijven. Ironisch genoeg is bijvoorbeeld bij mij op school de aanwezigheid van Duitse scholieren en leraren bij de Holocaustgedenkdagceremonie overigens al wel gebruikelijk.

We mogen blij en dankbaar zijn dat we met ‘de’ oorlog in Nederland nog steeds WOII bedoelen. God zij dank heeft Nederland na 1945 geen bezetting of rechtstreeks oorlogsgeweld meer gekend. De oorlog van 1939/1940-1945 is en blijft een keerpunt in de (moderne) geschiedenis van Nederland, en van Europa. Het is nog immer een centraal referentiekader. Dit geldt ook voor andere landen in Europa. Je kunt Europa en het levensbelang van de Europese Unie voor Europese stabiliteit en welvaart niet begrijpen zonder een idee te hebben van wat de Tweede Wereldoorlog voor de wereld én voor Europa betekende en betekent. Je kunt lacherig doen over clichés (“Wie zijn verleden vergeet heeft geen toekomst”, en dergelijke), maar landen in Europa en elders zijn meer dan ooit op zoek naar hun identiteit, en naast een gemeenschappelijke taal is een minimaal historisch bewustzijn een minimumvoorwaarde voor zo’n identiteit. Kennis van die taal en een basiskennis van de nationale geschiedenis (en de daarmee verbonden waarden en symbolen, zoals het volkslied) kunnen immigranten ook toegang tot hun nieuwe vaderland verschaffen, en hen helpen om de barrière met ‘autochtonen’ te slechten. Dit laatste schrijf ik hier mede uit eigen ervaring. Door echter “steeds meer doden te herdenken” tijdens een grabbeltonachtige dodenherdenking maak je het herdenken voor iedereen moeilijker, zoniet onmogelijk. Als je alles herdenkt, herdenk je feitelijk niets en vergeet je uiteindelijk alles. En dat kan nooit de bedoeling van het herdenken zijn. Men kan de Dodenherdenking gebruiken om actuele conclusies te trekken en heel voorzichtig hedendaagse lessen te leren, maar dat dient los te staan van het herdenken zelf. En wat mij betreft – met alle pijn in mijn 'Nederlandse hart' – mag dan voortaan op 6 mei de Zwarte-Pietendiscussie alvast losbarsten.


Thursday, January 26, 2017

Tom Janssen on Trump's Inauguration

These brilliant cartoons I found on the website of Tom Janssen.



"Fake news..! This can't be true!!"


"Mirror, mirror on the wall..., who had the biggest inauguration of them all...?

De pers = The press

Tom Janssen over de Nederlandse politiek

Deze ijzersterke spotprenten vond ik op de website van Tom Janssen.





Saturday, January 14, 2017

Tom Janssen on Trump (and Putin, and Bibi, and Obama)

I found these two cartoons on the website of Tom Janssen.




Joep Bertrams on Trump & Putin

I found these two cartoons on the website of Joep Bertrams.

 Balance
Controle


Monday, January 09, 2017

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende artikel verscheen afgelopen zaterdag in het Friesch Dagblad.

Een schuldige zondebok

Afgelopen woensdag werd sergeant Elor Azaria schuldig bevonden aan doodslag. Vorig jaar maart doodde hij, een Israëlische hospik, in Hebron een Palestijnse terrorist door hem – kalm, en op eigen initiatief – in zijn hoofd te schieten, nadat die man bij een aanval op Israëlische soldaten ernstig gewond en ‘geneutraliseerd’ was. Eén van de meest bezwarende verklaringen in het proces tegen Azaria was de ‘uitleg’ die hij na zijn misdaad aan zijn commandant gaf: “De terrorist verdiende het te sterven”. Zijn verdediging veranderde haar strategie meermaals, wat zijn geloofwaardigheid geen goed deed. Azaria’s bewering dat hij uit angst had gehandeld, en dat de terrorist wellicht een bomvest omhad, werd niet geloofd. De rechtszaak kreeg veel publiciteit, en opiniemakers en sociale-media junkies hielden en houden zich er intensief mee bezig. De stem des volks schaarde zich grotendeels achter de soldaat, die ‘ons kind’, ‘een held’ en ‘een slachtoffer’ genoemd werd. Veel rechtse politici spraken openlijk hun steun voor Azaria uit. Anderen – waaronder de legerleiding, de meeste juridische deskundigen, en mensenrechtenactivisten – benadrukten het feit dat de soldaat een standrechtelijke executie had uitgevoerd en tegen de geldende procedures had gezondigd. Daarop kregen het leger en zijn opperbevelhebber, Gadi Eizenkot, de beschuldiging naar het hoofd geslingerd dat ze deze soldaat in de steek hadden gelaten en hem als zondebok aanwezen voor hun eigen falend gedrag.
In zijn gebruikelijke, soms ietwat hysterische stijl beschreef Gideon Levy in Haaretz deze rechtszaak als “de stuiptrekkingen van een gezonde samenleving”. Dat lijkt me wat overdreven, al vraag ik me wel eens af of de Israëlische samenleving nog wel zo gezond is, zeker waar het Israël als rechtsstaat betreft. In mijn ogen heeft deze hele affaire twee zeer schadelijke neveneffecten gehad. Allereerst namen rechtse populisten politiek stelling tegen de legerleiding, waardoor het leger – tot voor kort nog één van de weinige basiselementen in de Israëlische maatschappij waarover een zekere consensus bestond – meer dan ooit tevoren speelbal van de politiek werd. Daarnaast trokken veel van diezelfde populisten van leer tegen de gehele rechtsgang, en sinds afgelopen woensdag tegen het vonnis. Dat is niet ongebruikelijk in Israël. Politici, vooral rechtse populisten, trekken het gezag van de rechterlijke macht (in veel gevallen het laatste bolwerk van democratische en liberale waarden, de rechten van minderheden, en de rechtsstaat als zodanig) regelmatig in twijfel, met name als een vonnis het belang van kolonisten schaadt. Woensdag liet, buiten het militaire gerechtshof waar het vonnis werd voorgelezen, een woedende meute haar onderbuikgevoelens de vrije loop. Eén van de leuzen die gebruikt werden was “Gadi (Eizenkot), pas op, Rabin zoekt een vriend”. Toch sprak premier Nethanyahu in zijn reactie op het vonnis niet over dat dreigement, of over dreigenementen aan het adres van de rechters. Hij koos, zoals gebruikelijk, de kant van zijn natuurlijke bondgenoten, en sprak zijn steun uit voor Azaria en diens familie, en voor een pardon voor de soldaat, nog voordat de militaire rechtbank heeft bepaald welke straf Azaria zal krijgen. Niet bepaald een uitspraak van vertrouwen in Vrouwe Justitia zoals je die van een minister-president zou mogen verwachten. Aan de andere kant, Bibi is zelf vrijwel constant het onderwerp van juridische onderzoeken naar corruptie en belangenverstrengeling. Momenteel loopt een onderzoek naar peperdure giften die meneer en mevrouw Nethanyahu van Amerikaanse en Franse zakenmannen gekregen zouden hebben. Misschien is hij niet de aangewezen persoon om Israël als rechtsstaat te promoten.
Professor Asa Kasher, ethicus en één van de auteurs van de “ethische code” van het Israëlische leger, zei dat het vonnis tegen Elor Azaria bewijst dat het juridische systeem in het leger werkt. Zelf heb ik eerder de neiging in te stemmen met Anshel Pfeffer, net als Gideon Levy journalist bij Haaretz. Hij stelde dat de eigenlijke schuldigen in deze zaak alle opeenvolgende regeringen van de afgelopen 49 jaar zijn, alsmede de Israëlische burgers die die regeringen (met deelname van Likoed, de Arbeidspartij en vrijwel alle andere politieke partijen) aan de macht hielpen. Zij zijn het die de bezetting onverhinderd laten voortduren, en die daardoor onze soldaten in onmogelijke situaties plaatsen. Dagelijks vinden er confrontaties plaats tussen Palestijnen en Israëlische soldaten. Bij de meeste confrontaties vallen geen gewonden of doden, maar het grootste verschil tussen vrijwel al die botsingen en het ‘incident’ met ‘de schutter in Hebron’ op 24 maart 2016 is dat er die dag toevallig een Palestijnse vrijwilliger van de Israëlische mensenrechtenorganizatie Betselem aanwezig was. Hij legde de misdaad vast op video, en zo kwam de zaak in de publiciteit. Zijn video vormde deel van de bewijslast tegen Azaria. Het Israëlische leger zou bovenal duidelijke, internationaal erkende grenzen moeten bewaken en ons tegen legers en terreurorganisaties (Iran, Hamas, Hezbollah, IS, etc.) moeten beschermen. In plaats daarvan is de belangrijkste taak van veel soldaten die van politieagent tegenover een vijandelijke burgerbevolking, en wijdt één van de beste legers ter wereld veel van zijn energie en middelen aan het in stand houden van wat door vrijwel alle beschaafde landen als een illegale bezetting wordt gezien, en aan het ontkennen van beschuldigingen van mensenrechtenschendingen. Zolang die bezetting voortduurt en het leger zich niet exclusief kan wijden aan datgene waarvoor het werd opgericht – bescherming van de staat Israël – wordt Israël als democratie en als rechtsstaat langzaam maar zeker uitgehold. Het leger, alhoewel verre van volmaakt en zeker niet boven elke kritiek verheven, faalt volgens mij dan ook veel minder dan de politici die dit land zouden moeten leiden. In die zin kan Elor Azaria – hoe schuldig hij ook moge zijn – zonder meer als een zondebok worden gezien. Maar dan van zijn politieke ‘leiders’, en niet van zijn direkte commandanten.

Artikel in het Friesch Dagblad

Dit artikel verscheen twee weken geleden in het Friesch Dagblad.

Ketchup na de maaltijd

Tijdens het afgelopen weekeinde, terwijl men zich wereldwijd klaarmaakte voor het Kerstfeest dan wel Chanukkah, had ik continu het volgende beeld voor ogen: Barack Obama die zijn middelvinger opsteekt tegen Binyamin Nethanyahu. De uitgaande President gaf zijn Israëlische plaaggeest na acht jaar van irritaties en provocaties een passend afscheidskado, door bij de stemming in de VN Veiligheidsraad over resolutie 2334, tegen het Israëlische nederzettingenbeleid, niet het Amerikaanse veto-recht te gebruiken. Nu stemden veertien landen voor de resolutie, en onthield Amerika zich van stemming. De Israëlische regering liet de weinige schroom die het nog had ten aanzien van Obama varen en viel hem aan zoals ze hem nog nooit heeft aangevallen. De resolutie zou anti-Israël of zelfs anti-Joods zijn, dit zou Obama’s ware gezicht tonen, enzovoort.

Alhoewel de resolutie grotendeels mijn instemming had, moest ik onwillekeurig denken aan een online stormpje dat Barack Obama afgelopen herfst ontketende door te stellen dat niemand ouder dan acht jaar ketchup op een hotdog zou moeten doen. Het gedrag van de President heeft iets kinderachtigs, vooral omdat hij – wat betreft zijn afkeer van Israëls nederzettingenbeleid – rijkelijk laat zijn tanden en spierballen toont. Een kwestie van ketchup na de maaltijd, zou je kunnen zeggen. Ik snap heel goed dat de man geen risico’s kon of wilde nemen in zijn eerste regeringsperiode, maar in de laatste vier jaar had hij niet al te veel te verliezen. De verhoudingen met Israël waren toch al aardig verziekt, en geloofwaardige druk op Jeruzalem om het nederzettingenbeleid nu eens eindelijk te stoppen zou die verhoudingen nauwelijks verslechterd hebben. Doordat Obama en zijn Minister van Buitenlandse Zaken Kerry echter continu – weliswaar mede vanwege Republikeinse tegenwerking, maar ook door een constant gebrek aan eigen daadkracht – teveel kolen en geiten probeerden te sparen, is hun buitenlands-politieke staat van dienst karig te noemen, ook en vooral waar het Israël en de Palestijnen betreft.

Het is interessant om te zien dat Nethanyahu tekeer gaat tegen Amerika, dat zich van stemming onthield, maar geen openlijke beschuldigingen uit richting – om maar een voorbeeld te noemen – Rusland dat vóór de resolutie stemde. Bibi heeft – met zijn tirades tegen al wie hem niet goed gezind is, ‘linkse’ Israëliërs voorop – iets weg van een bullebak, en als bullebakken iets weten dan is het wel dat je grotere bullebakken niet tegen de haren instrijkt. Niet voor niets zijn de betrekkingen tussen enerzijds Israël en anderzijds Rusland en Turkije al jaren beter dan die tussen Israël en de Verenigde Staten. Bullebak en bullebakjesmaat, zou je kunnen zeggen. Als reactie op de resolutie heeft Bibi onder andere op eerste kerstdag de ambassadeurs van de vóór stemmende landen op het matje geroepen, en ‘vergeldingsmaatregelen’ tegen de VN aangekondigd. Nee, serieus! Natuurlijk werd ook nu – net als na elke aan- en tegenslag – voorgesteld om nóg meer nederzettingen te bouwen en zelfs gebieden te annexeren.

Wie de moeite neemt om de resolutie rustig te lezen, zal zien dat ze in de verste verte niet als een anti-Israël motie kan worden gezien. Beschuldigingen die woorden bevatten als ‘anti-Joods’ of ‘verraad’ verdienen slechts minachting, geen verder commentaar. In één van de belangrijkste passages staat dat de Veiligheidsraad geen veranderingen van de “lijnen van 4 juni 1967” (de vooravond van de Zesdaagse Oorlog) erkent “behalve diegene waarover de partijen door onderhandelingen overeenstemming hebben bereikt”, en alle landen oproept “onderscheid te maken [...] tussen het grondgebied van de Staat Israël en de gebieden die sinds 1967 bezet zijn”. Dat lijkt mij een duidelijke erkenning van Israëls bestaansrecht en soevereiniteit. Het genoemde onderscheid pleeg ik zelf ook te maken, en ik denk – als Zionist – dat Israëls belang niet beter gediend kan worden dan door te benadrukken dat Israël en de bezette gebieden niet één en hetzelfde zijn. Tijdens een Chanukkah-ceremonie afgelopen weekeinde stelde de Israëlische premier dat de Klaagmuur geen bezet gebied is, en de Joodse wijk in Oost-Jeruzalem ook niet. Door net die twee plekken te noemen, en geen gewag te maken over ‘legale’ en zelfs volgens de Israëlische wet illegale nederzettingen, gaf hij indirect aan dat ook hij inziet dat het probleem elders ligt.

Jeruzalem is niet het belangrijkste onderwerp van discussie tussen Israël en de Palestijnen, daarvoor zijn creatieve oplossingen mogelijk. De Gazastrook is al lang geen bezet gebied meer, en Israël vindt het makkellijker om met Hamas om te gaan dan met de Palestijnse Autoriteit. Over de Golanhoogte heeft nauwelijks nog iemand het, niemand zal van Israël verlangen om dat strategische gebied ‘terug te geven’. Aan wie, Syrië? Niet dus. Wat overblijft is de Westoever, met de nederzettingen. Dat is – aan de Israëlische kant van het conflict – één van de angels van het conflict. De Israëlische regering blijft echter tegen beter weten volhouden dat de Westbank een o-n-l-o-s-m-a-k-e-l-i-j-k deel van de Joodse staat is. Ze weigert, of is niet in staat, onder ogen te zien dat landen als de Verenigde Staten en Groot Britannië weliswaar graag met Israël samenwerken op  economisch en militair gebied, maar nooit Israëls aanspraken op de Westoever zullen kunnen of willen erkennen. Door net te doen alsof de hele wereld gek is en alleen wij weten hoe het zit, en door in zekere zin samen met Donald Trump (en Poetin en Erdogan) die hele wereld de oorlog te verklaren, schaadt Binyamin Nethanyahu Israëls belang. Zelfs Ben Dror Yemini en Dan Margalit, twee prominente journalisten die meestal pleitbezorgers van Bibi zijn, hebben dit de afgelopen dagen erkend. Het is de vraag of de Israëlische kiezers dit nu eindelijk ook gaan inzien, en of zich binnen afzienbare tijd een geloof- en betrouwbaar politiek alternatief in Israël zal aanbieden. De kans daarop is klein, een werkelijke oppositie is hier al jarenlang ver te zoeken. En dus, ondanks wat voor resoluties dan ook, zal de Israëlische regering vanaf 20 januari, met Washingtons zegen, waarschijnlijk vrolijk verder kunnen bouwen in de bezette gebieden. Maar Obama kan tenminste aan de borreltafel zeggen dat hij één van zijn kwelduivels toch mooi even de waarheid heeft gezegd.

Thursday, December 08, 2016

Artikel in het Reformatorisch Dagblad

Het volgende stuk stond gisteren in het Reformatorisch Dagblad. Het is een reactie op een stuk van Tom Struick van Bemmelen, dat een reactie was op een column van Alfred Muller.

De schuldvraag voorbij


De schier eeuwige schuldvraag speelt een centrale rol in het Palestijns-Israëlische conflict. In mijn ogen geldt "waar twee kijven hebben twee schuld" ook voor 'de moeder van alle conflicten'. Helaas kijven de twee meest betrokken partijen – Palestijnen en Israëliërs – en hun respectievelijke supporters in het buitenland nu juist voornamelijk over die verdraaide schuld. Daardoor neemt niemand verantwoordelijkheid op zich en verandert er niets. Althans niet ten goede.

Met Tom Struick van Bemmelen zou ik het eens kunnen zijn, als hij zou zeggen dat Palestijnen één van de obstakels voor vrede vormen. Jammer genoeg legt hij de verantwoordelijkheid – een beter woord dan schuld – echter uitsluitend bij de Palestijnen, en verschoont hij zijn (en mijn) kant van alle blaam. Alfred Muller heeft gelijk wanneer hij stelt dat "welbespraakte rechtse politici" het hier in Israël het al jaren voor het zeggen hebben. Rechtse (en extreem-rechtse) danwel nationalistische populisten bepalen de laatste tien, vijftien jaar de politieke agenda in vrijwel alle Westerse en sommige democratieën, al dan niet in reactie op islamistische terreur, massale vluchtelingenstromen, en andere 'exportartkelen' uit het Midden-Oosten. In sommige landen hebben die populisten vrij recentelijk het regeringsroer overgenomen. Elders staan ze te trappelen om dat roer over te nemen, of in ieder geval hun regeringen naar rechts bij te sturen. Binyamin Nethanyahu is, wat betreft rechts-populistisme op regeringsniveau, een veteraan. Al twintig jaar is hij de meest constante politieke kracht in Israël, waarvan ruim de helft als regeringsleider. Zijn politieke carrière loopt in zekere zin parallel aan die van twee leeftijdsgenoten, Vladimir Poetin en Recep Erdogan. De drie vertonen overigens wel meer raakvlakken en zijn in zekere zin bondgenoten, ondanks alle onderlinge verschillen.

Bibi Nethanyahu is meer dan slechts een "nationalistische volksmenner", anders had hij het nooit zo lang volgehouden. Hij is bovenal een intelligente opportunist, die perfekt de onderbuikgevoelens van de Israëliërs (of, in Alfred Mullers woorden, "nationalistische gevoelens en angst voor de Palestijnen") aanvoelt, en daarop weet in te spelen. Israëliërs zijn uitermate ontevreden over de economie. Het land is tamelijk goed de crisis doorgekomen, maar nog steeds is het levensonderhoud hier idioot duur, en de kloof tussen arm en rijk is één van de grootste onder de landen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Er bestaat hier veel armoede (vooral onder ouderen, en onder ultra-orthodoxe en Arabische Israëliërs), corruptie en (sexuele) schandalen zijn aan de orde van de dag, en er zijn grote problemen in het onderwijs, de gezondheidszorg, de criminaliteitsbestrijding, enz. Het vertrouwen in de politiek is op een dieptepunt, net als in veel andere democratieën. Nethayhahu slaagt er desondanks steeds weer in de aandacht van al die dingen af te leiden door op cruciale momenten te wijzen op 'onze gezamenlijke vijand', de Palestijnen (of, afhankelijk van de context, 'de' Islam, of 'de' Arabieren). Natuurlijk zijn er reële dreigingen (Iran, Hezbollah, in mindere mate Hamas en ISIS) maar soms speelt de populist Bibi zuiver in op onredelijke en stemmingmakende angstgevoelens.  Zo riep hij op de dag van de verkiezingen zijn kiezers op vooral te komen stemmen, want "de Arabieren komen bij busladingen naar de stembus".

In al die jaren waarin hij oppositieleider, Minister van Financiën maar vooral Premier was, is Nethanyahu er niet in geslaagd ook maar één van de wezenlijke problemen in Israël op te lossen. Natuurlijk is dat niet alleen zijn schuld. Vanzelfsprekend zijn ook de Palestijnse en andere Arabische en islamitische leiders, alsmede diverse internationale ontwikkelingen, hier debet aan. Maar het is te simplistisch om enkel en alleen de verantwoordelijkheid bij 'de andere kant' te leggen, zeker na twintig jaar (in)direkt Likoedbeleid. Als twee-staten-voor-twee-volken een "dood […] paard" is, ligt dat voor een belangrijk deel ook aan het nederzettingenbeleid, waaraan álle Israëlische regeringen sinds 1967 schuldig zijn. Het antwoord van Bibi en zijn coalitiegenoten op vrijwel elke verandering van de status quo – of dat nu een vredesinitiatief van buitenaf of een Palestijnse raketaanval of andere terreurdaad is – luidt echter steevast: méér nederzettingen. Om het even wat de diplomatieke, economische en militaire prijs daarvan is. Vooral daarom, én aangezien er binnen de nauwelijks functionerende oppositie (links én rechts) in Israël geen charismatische, betrouwbare, en geloofwaardige leider voorhanden lijkt te zijn die een duidelijke visie voor een ander, beter, rechtvarender, veiliger Israël biedt, kun je niet anders dan vaststellen dat er ook aan onze kant heel wat te beschuldigen, maar vooral ook te verbeteren valt.

Ik hoop, met Alfred Muller, dat de huidige (of de volgende, de daaropvolgende etc.) Israëlische regering uiteindelijk zal worden opgevolgd door wijze en realistische politici. Politici die niet alleen aan zichzelf, hun vrienden en achterban denken, maar allereerst het landsbelang willen dienen. En dat vraagt inderdaad om drastische verbeteringen in onderwijs en zorg, hulp aan de middenklasse en de allerarmsten, en ook en vooral om vrede met de Palestijnen, "nu het nog kan". Ik ben echter bang dat hoop niet voldoende is, en geloof dat eenieder die metterdaad met het lot van beide volken begaan is zijn Israëlische danwel Palestijnse vrienden en gesprekspartners op hun verantwoordelijkheid moet aanspreken. Nu meer dan ooit tevoren.


Wednesday, November 30, 2016

Artikel in het Friesch Dagblad

Ook het volgende artikel stond deze week in het Friesch Dagblad. 

Impressies uit een nasmeulende stad

Terwijl ik dit artikel schrijf (zondagmiddag, een werkdag in Israël), lijkt alles weer heel gewoon in en om Haifa. Geen extra nieuwsuitzendingen, bijna alle geëvacueerde gezinnen zijn weer thuis. Vanavond ga ik met mijn echtgenote naar een zangavond die eigenlijk donderdag had moeten plaatsvinden maar 'vanwege de omstandigheden' werd uitgesteld. Gisteren woonde ik een (prachtig) concert van het Haifa Symfonieorkest bij op de Franse Carmel, zonder dat iemand de branden noemde. Als je her en der geen zwakgeblakerde bomen en huizen ziet en de brandlucht ruikt, zou je haast niet weten wat er de afgelopen dagen gebeurd is. Gelukkig zijn er deze keer – in tegenstelling tot zes jaar geleden, toen 44 mensen omkwamen bij de enorme bosbrand in de buurt van Haifa – geen doden gevallen bij de branden. Met hulp uit Turkije, Griekenland, de VS, maar ook bijvoorbeeld Oekraїne en Rusland, is men er in geslaagd het vuur onder controle te krijgen. Bijna 13,000 hectare grond is er in Israël en op de Westoever verbrand, waarvan ongeveer een kwart in Haifa, het zwaarst getroffen bebouwde gebied.  In de stad zijn tussen 400 en 550 huizen volledig verwoest of onbewoonbaar geworden (in 2010 ging het om 74 huizen en 5,000 hectare), waardoor op dit moment 1,700 inwoners van Haifa elders onderdak moeten krijgen. Dat laatste geldt voor nog meer families in andere delen van Israël.

Onze 'leiders' lieten zich weer eens van hun beste kans zien. Eén van de eerste reacties van de Minister van Onderwijs, Naftali Bennett (Het Joodse Huis), via Twitter of Facebook, was tekenend: "Alleen zij aan wie het Land niet toebehoort kunnen het in brand steken". Iedereen wist over wie hij het had: Arabieren. Hij 'vergat' dat er zich zowel onder de slachtoffers als onder de reddingswerkers vele Arabieren bevonden. Haifa is nu eenmaal een 'gemixte' stad. Je zult maar een Arabische Israëliër zijn en jouw Minister van Onderwijs zo over jou horen spreken. Andere ministers stelden voor dat de 'daders' (het is inmiddels duidelijk dat in ieder geval een deel van de branden is aangestoken) hun staatsburgerschap ontnomen moet worden, en dat – net als bij 'andere terroristen' – hun huizen verwoest moeten worden. Volgens die logica zouden de Joodse terroristen die het huis van de familie Dawabsheh vorig jaar juli in brand staken en daarbij baby Ali en zijn ouders vermoordden allang zowel hun paspoort als hun huis kwijt moeten zijn. Niet dus, en u kunt raden waarom. Je zou Bennets logica ook toe kunnen passen op de kolonisten die olijfboomgaarden van Palestijnen – met vuur en andere middelen – vernielen: geven deze Israëliërs hierdoor toe dat het Land hun niet toebehoort?

Bennetts gedrag was typerend voor vrijwel alle regeringsvertegenwoordigers. Hijzelf en Lieberman zeiden dat er maar één mogelijk antwoord is op 'deze terreur': meer nederzettingen. Tja, wat moet je daar op zeggen? Premier Nethanyahu – van wie je toch een soort vader-des-vaderlandse rol zou mogen verwachten – heeft het alleen over terroristen en vergelding gehad, je hoorde hem niet of nauwelijks over verzoening, de slachtoffers, hulpverlening, etc. Zou het kunnen dat hij de aandacht wil afleiden van het feit dat hij na de ramp in 2010 had beloofd dat Israël klaar zou zijn voor dit soort rampen en dat we in de toekomst in dit soort scenarios geen buitenlandse hulp meer nodig zouden hebben? Niet voor niets noemden cynici Bibi al een politieke pyromaan. Slechts één minister sprak eerst en vooral over het helpen van de slachtoffers. Minister van Financiën Moshe Kahlon – zelf inwoner van Haifa en één van de weinige bedachtzame, weliswaar ook deels populistische maar niet extreem-rechtse leden van het cabinet – beloofde hun snelle hulp en een spoedige afhandeling van de verzekeringsclaims. Laten we hopen dat hij zijn woorden waar kan maken. De kans dat de branden als terreurdaden erkend zullen worden is overigens klein: dat zou namelijk betekenen dat de staat, en niet de verzekeringsmaatschappijen, een belangrijk deel van de financiële vergoeding op zich zal moeten nemen.

En dan de 'gewone' Israëliërs. Allereerst de vele hulpverleners (brandweer, politie, medisch personeel) die dagenlang haast bovenmenselijke inspanningen hebben verleend. De Israëlische bevolking – Joods, Arabisch, en anderszins – heeft daarnaast weer eens laten zien dat het in tijden van crisis weet wat solidariteit, liefdadigheid en werkelijk helpen betekent. De scholen, de synagogue en het gemeenschapscentrum van Leo Baeck, waar ik werk (om slechts één voorbeeld vanuit de civil society te noemen), mobiliseerden vrijwilligers om geëvacueerde gezinnen op te vangen en van basisbenodigdheden te voorzien. Iedereen nodigde vrienden, familieleden en volkomen vreemden uit om te komen logeren of op zijn minst te komen eten. Via Whatsapp en Facebook hoorden we wie waar hulp nodig had.

De hulp die onmiddelijk door naburige landen werd aangeboden en gegeven was ook hartverwarmend. Zelf was ik het meest ontroerd toen ik een telefoontje kreeg van mijn vriend en collega uit Ramallah, met wie ik aan een project voor onze twee scholen samenwerk. Hij heeft genoeg zorgen en problemen, maar nam toch even de moeite om te vragen of met mij en mijn gezin alles in orde was, en of hij ons ergens mee kon helpen. Uit Ramallah kwam ook een team van brandweermannen helpen bij de strijd tegen het vuur. Hun reacties, en de reacties van hun Israëlische collega's en de burgers die hen kwamen bedanken en hun eten en drinken gaven, behoren eveneens tot het soort dingen dat de burger letterlijk weer moed geeft. En hoop, dat het anders – beter – kan. Dat kunnen de fanatici (Bennett tegen de Palestijnen: "Sticht geen brand bij ons en stuur ons geen brandwagens") niet van ons afnemen.

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende artikel stond de afgelopen week in het Friesch Dagblad. De titel is door de redactie gekozen. Normaal gesproken gebruik ik op mijn blog mijn eigen werktitel aan, ik zie de uiteindelijke gedrukte versie zelf niet. Deze keer kreeg ik voor het eerst een Whatsapp met de opmaak doorgestuurd, dus kan ik de uiteindelijke titel gebruiken.

Is Trump goed voor Israel en de Joden?

In de laatste aflevering van de televisieserie Seinfeld beschrijft Dr. Wilcox de reactie van George Costanza, nadat die te horen kreeg dat zijn verloofde – met wie hij feitelijk niet echt wilde trouwen – was overleden na het likken van giftige enveloppen, als “ingetogen gejubel”. Dit lijkt me een goede beschrijving van de reacties in officiële kringen in Jeruzalem nadat Donald Trump eerder deze maand als opvolger van Barack Obama was gekozen. In tegenstelling tot veel Europese en andere Westerse regeringsleiders, hadden Binyamin Nethanyahu en zijn religieuze en ultranationalistische coalitiegenoten zitten hopen op een Republikeinse overwinning. Jarenlang werd Barack Obama door veel Israëliërs als een – of zelfs dé – vijand gezien, vooral omdat hij en zijn vertegenwoordigers zich zo nu en dan, meestal heel zachtjes, durfden uit te spreken tegen Israëls nederzettingenbeleid. De dag na Trumps verkiezingsoverwinning nam de gemeente Jeruzalem dan ook de gelegenheid te baat om de bouw aan te kondigen van nieuwe huizen in Oost-Jeruzalem, dat door vrijwel alle andere landen ter wereld als Palestijns dan wel door Israël bezet gebied wordt beschouwd.

Het is niet zo verwonderlijk dat Nethanyahu en de zijnen zo tevreden zijn (uitgesproken of stilzwijgend), met de overwinning van Trump én met de nederlaag van de partij van Barack Obama. Waar de regering Obama nog wel eens haar stem verhief tegen Israëls voortdurende bouwwerkzaamheden en investeringen in de gebieden aan gene zijde van de Groene Lijn, lijkt het onwaarschijnlijk dat Trump Bibi en zijn ultranationalisten een strobreed in de weg zal leggen. De kolonisten en hun lobbyisten gaan er volgens diverse bronnen van uit dat de nieuwe Amerikaanse regering “een decennialange oppositie” tegen het bouwen in bezet gebied zal beëindigen, en Israël groen licht zal geven om aanzienlijke delen van de Westoever te annexeren. Niet zomaar prees Minister van Onderwijs Naftali Bennett (van de “Het Joodse Huis” partij) “het ter ziele gaan van de twee-statenoplossing”. Daarnaast heeft Trump beloofd de Amerikaanse ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem te zullen verplaatsen, en het atoomverdrag met Iran naar de prullenmand te verwijzen. Of al die beloften en verwachtingen ook vervuld zullen worden is voorlopig de vraag, maar ze zijn op zijn minst hoopgevend voor wie de Groot-Israël gedachte is toegedaan. Wanneer ‘linkse’ (een scheldwoord in Israël, gebruikt voor ongeveer alles wat niet streng religieus en/of pro-bezetting is) of andere kritische commentatoren wijzen op de soms ronduit foute supporters of ‘adviseurs’ van Donald Trump, haalt men in Israël en in pro-Israëlische kringen in de Verenigde Staten zijn schouders op. Meestal accepteert men zijn ‘verdediging’: “Ik een (vriend van) antisemiet(en)? Mijn dochter, schoonzoon, en (drie van de acht) kleinkinderen zijn Joods!”. Zelfs wanneer de geur van antisemitisme onder Trumps kiezers en raadslieden onontkenbaar sterk is, is dat voor veel Israëliërs en vermeende Israël-supporters geen reden om zijn koshere bedoelingen in twijfel te trekken.

Er is nog een reden waarom Bibi en Donald het zeer goed met elkaar kunnen vinden. Ze hebben simpelweg heel veel gemeen. Beiden behoren ze tot de bonte verzameling van veelal (ultra)rechts-populistische, soms griezelig fanatiek-nationalistische bewegingen die in diverse democratieën over de hele wereld de toon van het politieke debat bepalen. Nethanyahu is in dat gezelschap een oude rot, Trump is sinds kort hun grote held.  Marie Le Pen, Geert Wilders, Vladimir Poetin, Tayyip Erdogan, maar ook bijvoorbeeld de Indiase premier Narendra Modi en de Britse Minister van Buitenlandse Zaken Boris Johnson kunnen tot die stroming worden gerekend. Er zijn enorme verschillen tussen de verschillende landen en leiders, maar als er iets is wat hen verenigt  dan is het haat en angstzaaien tegenover alles wat vreemd, anders, liberaal, en links is. Voeg daar, behalve in het geval van Turkije, ook nog moslimhaat en –angst aan toe. Hoe absurd het ook moge lijken, het is niet toevallig dat Nethanyahu nu juist toenadering tot Turkije en Rusland (bondgenoten van Israëls grootste vijanden) zoekt, terwijl de banden met Obama’s Amerika jarenlang verslechterden of bewust verwaarloosd werden. Deze internationale parias spreken dezelfde spierballentaal, vol nationale trots en minachting voor andersdenkenden en voor ‘zwakkere’ tegenstanders.

En het angstaanjagen van de populisten werkt, net zo goed als terreur vruchten afwerpt. Die twee elementen kunnen niet zonder elkaar, ze voeden elkaar over en weer. Terwijl ik dit schrijf staan hele wijken van Haifa in brand. Al een paar dagen wordt Israël geteisterd door grote branden, en door een hevige wind die die branden nog verder aanwakkert. Veel van de branden zijn blijkbaar aangestoken, hoogstwaarschijnlijk vanuit 'nationalistische' (oftewel terroristische) motieven. Naftali Bennett zei meteen dat “alleen zij aan wie het Land niet toebehoort (lees: Arabieren) het in brand kunnen steken”. Nadat ook mijn school ontruimd was, was ik was al op weg naar mijn auto toen mijn vrouw me via Whatsapp het advies gaf om te wachten: de kinderen waren veilig bij mijn schoonmoeder aangekomen, zij was zelf veilig op haar school, en op de wegen naar huis zat het verkeer voorlopig hopeloos vast. Ironisch genoeg was onze dochter, die met school een reis naar Polen maakt, het veiligst van ons allemaal: zij was op dat moment juist op bezoek in het voormalige vernietigings- en concentratiekamp Majdanek, waar haar overgrootvader (Jacob Rozenblum, 39 jaar oud, transport 51 vanuit Drancy, naast Parijs, 6 maart 1943) vermoord is. Ik besloot dus te blijven werken, en ging terug naar de lerarenkamer. Een lerares Arabisch kwam vlak naast me zitten om het nieuws te volgen. Ze ging tekeer tegen de "Bney dodim" ('neven', een minachtende term voor Arabieren). Toen ik haar vroeg waarom ze zo moest generaliseren, en zei dat er zowel Arabieren als Joden op dat moment geëvavueerd werden of voor één van de vele hulpdiensten aan het werk waren (Haifa heeft een aanzienlijke Arabische minderheid), zei ze dat iedereen die haar huis in brand steekt wat haar betreft terrorist is, en dat ze geen geduld had voor nuances of voor weekhartige hypocrieten (zoals mijzelf, blijkbaar). Zulke uitspraken zijn uitzonderlijk onder mijn medeleraren, maar ik moest onwillekeurig denken aan de dag van de Knessetverkiezingen, vorig jaar maart, toen Nethanyahu een video de wereld instuurde waarin hij de Joodse kiezers opriep te gaan stemmen, de Arabieren waren immers “met bussenvol” op weg naar de stembus. Generaliseren, racisme, simplisme, en angst zaaien, dat zijn de wapens van de ware populist, of hij nu in Jeruzalem, Ankara, New York City (binnenkort Washington, DC) of Den Haag zetelt. En als die angst ook nog eens verder wordt aangewakkerd – of bevestigd – door islamistische of andere terreur, dan is het effect des te sterker.


En nu de hamvraag, die me de laatste twee weken door vele binnen- en buitenlandse vrienden en kennissen gesteld is: zal Donald John Trump de "meest uitgesproken pro-Israël President" zijn die er ooit geweest is, zoals we veel van zijn supporters vol overtuiging hebben horen en zien verkondigen? Anders gezegd, om een slogan te parafraseren waar Bibi jaren geleden gebruik van maakte, is Trump goed voor de Joden? Hangt er een beetje van af over welk Israël en welke Joden je het hebt, en welk Israël je wilt steunen. Voor de kolonisten, voor hen die Israël nog religieuzer, nationalistischer, en geïsoleerder willen maken, en voor hen die een één-staat-oplossing nastreven (alleen voor Joden danwel alleen voor Palestijnen: Hamas enerzijds en Bibi’s Likud, Het Joodse Huis en andere rechtse Israëlische partijen anderzijds hebben meer gemeen dan ze zelf zullen toegeven) lijkt de zich langzaam maar zeker vormende regering Trump een hemelse zegen te zijn. Tenzij Trump voor grote verrassingen gaat zorgen (hij suggereerde zowaar dat zijn Joodse schoonzoon wellicht Joden en Palestijnen dichter tot elkaar zou kunnen brengen, nee serieus!), heeft het er alles van weg dat hij de regering in Jeruzalem ongemoeid aan een één-staatoplossing verder zal laten bouwen. Ik heb dan ook het donkerbruine vermoeden dat Naftali Bennett wel eens gelijk zou kunnen krijgen, en dat Donald Trump direkt of indirekt de genadeslag zal toebrengen aan een vreedzame, onderhandelde oplossing van het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Als dat gebeurt, en als Europese en andere sponsors en vrienden van Israëlische én Palestijnse mensenrechten- en vredesgroeperingen en andere links-liberale initiatieven hun belangstelling en hoop verliezen en die groeperingen aan hun lot overlaten, dan ben ik bang dat Israël als Joodse maar inclusieve, democratische en pluralistische staat uiteindelijk ten dode opgeschreven zal zijn. Is alle hoop dus verloren? Zo ver wil ik niet gaan. Zoals ik in eerdere artikelen schreef, ben ik ervan overtuigd dat wanneer positieve, redelijke, proactieve partijen en individuën (links, liberaal en gematigd conservatief, allesbehalve populisten) in hun eigen landen en wereldwijd een duidelijke, eensgezinde boodschap opstellen en uitdragen, de angsten en frustraties van hun potentiële kiezers serieus nemen, én hun krachten tegenover de negatieve en destructieve krachten van het (extreem)rechtse, ultranationalistische populisme bundelen, dan kan het gezonde verstand wel degelijk in de politiek terugkeren, en is alles mogelijk, maar dan in positieve zin. Maar het is vijf voor twaalf. En niet alleen in Jeruzalem.

Tuesday, November 15, 2016

Joep Bertrams on Erdogan's Fight against Freedom of the Press

I found this cartoon on the website of Joep Bertrams.




Joep Bertrams on Trump's Election and the European Extreme Right

I found this cartoon on the website of Joep Bertrams.

"Having the wind in their sails..."

Monday, November 14, 2016

Nostra Culpa

I translated - with some minor changes - the article (about Donald Trump's election to the Presidency) that appears in the previous posting into English and published it on my blog on The Times of Israel.

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende artikel stond afgelopen vrijdag in het Friesch Dagblad.

Dikke bult

Woensdagmorgen stuurde mijn echtgenote me een ‘grap’ via Whatsapp: wat is erger, 9/11 of 11/9? Hoe cynisch, of zelfs ziek, die zin ook moge zijn, je kunt niet ontkennen dat de twee data op de één of andere manier met elkaar verbonden zijn. 9 november 2016, de dag na de verkiezing van Donald Trump tot President van de Verenigde Staten, kan niet begrepen worden zonder op de een of andere manier te verwijzen naar de aanslagen op 11 september 2001. De laatste vijftien jaar is het rechtse, niet zelden rechts-extremistische, populisme waarvan Donald Trump wereldwijd de meest extreme exponent is, in veel westerse landen de meest invloedrijke politieke stroming geworden: niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in landen als Frankrijk, Duitsland, Israël, Groot Britannië, Denemarken, en Nederland. Die trend kan niet los worden gezien van die dinsdag in september 2001, of van de oorlogen in Afghanistan, Irak, en Syrië, en van de vluchtelingenproblematiek en andere globale problemen die een uitvloeisel zijn van wat vijftien jaar geleden in New York City, Washington DC en Stonycreek Township, Pennsylvania gebeurde.

De wereld lijkt geschokt en ontdaan te zijn. Ik bevind me momenteel in het Lucan Centre, een klein presbyteriaans ontmoetingscentrum in Dublin. Samen met één van de rabbijnen en vier voormalige leerlingen van mijn school neem ik deel aan Space to Breathe, een vijfdaags internationaal en interreligieus seminar voor Ierse, Palestijnse en Israëlisch-Joodse jongeren, georganiseerd door Julian Hamilton, de methodistische pastor van Trinity College. Ik heb de indruk dat de verbijstering hier nog groter is dan waar dan ook. De gevolgen van Trumps verkiezing voor het Palestijns-Israëlische conflict zullen waarschijnlijk groot zijn. Met zijn bewondering voor Vladimir Poetin en zijn innige banden met Binyamin Nethanyahu lijkt het onwaarschijnlijk dat Donald Trump enige moeite zal doen om de regionale status quo (waarbinnen de Russische militaire invloed en het Israëlische nederzettingenbeleid een centrale rol spelen ) te veranderen. Er zijn veel andere verstjeerders, en ook Obama draagt door zijn gebrek aan daadkracht en aan een doelbewust beleid in de regio verantwoordelijkheid voor de huidige situatie in het Midden-Oosten, maar onder Trump’s America First benadering zal de rol van alle versjteerders alleen nog maar sterker worden. Zelf ben ik niet blij of tevreden met de keuze van het Amerikaanse volk, maar geschokt of wanhopig ben ik evenmin. Ik denk dat die keuze – zoals veel tegenslagen – uiteindelijk ook hoop en mogelijkheden kan bieden.

Zoals ik drie maanden geleden schreef, ben ik ervan overtuigd dat als Hillary Clinton – samen met haar supporters en alle liberale én conservatieve, redelijke tegenstanders van Donald Trump – een minder negatieve en duidelijk proactieve campagne had gevoerd, we nu onszelf vergenoegd op de schouders zouden kloppen, met genoegen de woorden ‘President Clinton’ uit zouden spreken, en ervan overtuigd zouden zijn dat het goede het kwaad overwonnen heeft, en dat alles in orde is. Eigenwijs als zij en haar adviseurs zijn, en misschien ook wel omdat ze het Friesch Dagblad (of de Times of Israel, waar ik een Engelse vertaling van dat artikel publiceerde) niet leest, koos ze er bewust voor om te proberen het politieke spel volgens de regels van Donald John Trump te spelen. Daarin en daardoor was ze van meet af aan volkomen kansloos. En hetzelfde geldt voor alle landen waar rechtse populisten de politieke agenda bepalen. Rutte en Samsom zullen nooit op de legitieme angsten, de frustraties en de onderbuikgevoelens van de kiezers kunnen inspelen zoals Geert Wilders dat doet. Sarcozy en Hollande zullen nooit in staat zijn om het simplisme en fanatisme van Marie Le Pen te evenaren. Links populisme is overigens net zo walgelijk en onredelijk als de rechtse variant, en dus geen geloofwaardig alternatief. Aan de andere kant, wat niet-populistische politici in tegenstelling tot populisten wél kunnen bieden is een positieve boodschap voor hun kiezers: niet zeggen hoe de dingen niet moeten en kunnen, maar denken en uitdragen wat voor wereld zij voor ogen hebben, en hoe zij denken de woede en gevoelens van machteloosheid bij veel mensen weg te kunnen nemen. Tot nu toe is hun dat niet gelukt, waardoor de verkiezing van Trump een beetje een kwestie is van eigen schuld dikke bult is. Mede om die reden zijn de huidige anti-Trump demonstraties en slogans als ‘Trump is niet mijn President’ ondemocratisch en contraproductief.

Bulten genezen echter, en misschien was die verkiezing nu juist nodig om de niet-populistische politici, activisten en kiezers eindelijk eens wakker te schudden. Als zij hun krachten – binnen hun eigen landen en politieke systemen maar ook internationaal – bundelen, ons ervan weten te overtuigen dat positieve, actieve veranderingen noodzakelijk en mogelijk zijn, en een nieuwe generatie van charismatische, gedreven politieke leiders kunnen aantrekken en opbouwen, dan zal de negatieve, destructieve boodschap van Trump en de zijnen geen kans meer maken. Denken dat kiezers te dom zijn om zo’n positieve mare op waarde te schatten, en dat we dus ook maar onze toevlucht tot populisme moeten zoeken, is arrogant, en zal de tegenstanders van populistische politici in de afzienbare toekomst, en waarschijnlijk nog lang daarna, tot machteloze oppositie veroordelen.


Friday, September 30, 2016

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende artikel stond gisteren in het Friesch Dagblad. Aangezien ik dacht dat de krant 's middags uitkwam, schreef ik het stuk woensdagmorgen razendsnel (minder dan anderhalf uur, ik moest 's morgens lesgeven) en heb ik het niet nog een keer doorgelezen, maar nu ik het teruglees ben ik er zeker niet ontevreden over. 

Shimon Peres, 1923-2016


Eén van mijn scherpste herinneringen uit de 24 jaar dat ik in Israël woon en leef, is de verkiezingsnacht van mei 1996. We gingen rond middernacht naar bed terwijl de voorlopige uitslagen op een overwinning van Shimon Peres wezen, en 's morgens werden we wakker met premier Nethanyahu, die met een miniem verschil (één procent, minder dan 30.000 stemmen) had gewonnen. De Joodse terrorist Yigal Amir en de Palestijnse terroristen waren er – via de moord op Yitzhak Rabin en een doelgerichte terreurcampagne daarvoor en daarna – in geslaagd om alle realistische hoop op vrede de wereld uit te helpen. In de twee decennia die sindsdien zijn verstreken – waarvan de helft onder Nethanyahu – is er voor Israëliërs en Palestijnen nauwelijks iets ten goede veranderd. Shimon Peres' image onderging daarentegen een interessante metamorfose: van een eeuwige politieke loser werd hij de vrijwel alom gewaardeerde grand old man van de Israëlische politiek, en de meest populaire president  ooit. Bovenal bleef hij één van de weinige geloofwaardige symbolen van het positieve denken ten aanzien van een mogelijke vreedzame uitweg uit 'het' conflict. Vanmorgen moest ik denken aan die nacht in mei, twintig jaar geleden. Toen we gisteravond naar bed gingen, en Shimon Peres nog voor zijn leven vocht, wisten we al dat er een grote kans was dat we bij het opstaan zouden lezen en horen dat hij was overleden. We werden niet verrast.

Shimon Peres' leven omspande de hele geschiedenis van Israël. Hij was indirect of rechtstreeks betrokken bij zo goed als alle belangrijke momenten en beslissingen in de bijna zeventig jaar dat dit land bestaat. Geboren in Polen (nu een deel van Wit-Rusland) in 1923, kwam Szymon Perski als jonge tiener naar Palestina, dat destijds onder Brits mandaatsbestuur viel. Net als veel nieuwe immigranten (ik heb zelf ook een Hebreeuwse naam, naast mijn Nederlandse) adopteerde hij een meer lokale versie van zijn geboortenaam. Nadat Peres leidersrollen op zich nam in de socialistische jeugdbeweging, in een kibbutz, en in de belangrijkste partij van die jaren, Mapai, maakte de leider van Mapai, David Ben Gurion, die kort daarna Israëls eerste premier zou worden,  hem feitelijk tot zijn rechterhand. Alhoewel hij zelf nooit daadwerkelijk een uniform of een wapen droeg, speelde Shimon Peres een centrale rol in de opbouw van het Israëlische leger. Zo was hij verantwoordelijk voor wapenaankopen voor en tijdens Israëls Onafhankelijkheidsoorlog (1948), en werd hij op zijn 29e (!) directeur-generaal van het ministerie van defensie. In de jaren vijftig was Frankrijk Israëls belangrijkste bondgenoot. Naast strategische belangen (vooral de band tussen Israëls aartsvijand Egypte en Frankrijks belangrijkste tegenstander in die jaren, de Algerijnse onafhankelijkheidsbeweging FLN) waren ook Peres' charme en persoonlijke contacten met Franse regeringsvertegenwoordigers daar debet aan. Aan die contacten heeft Israël te danken dat het in de jaren zestig over één van de modernste gevechtsvliegtuigen – de Mirage – kon beschikken, en dat het land – volgens alle deskundigen – nucleaire afschrikking kon ontwikkelen. Peres' vele rechtse tegenstanders vergeten nog al eens dat Israëls militaire suprematie voor een belangrijk deel nu juist aan hem te danken is.

Helaas geldt hetzelfde ook voor het nederzettingenbeleid. Shimon Peres is ook daar mede verantwoordelijk voor, hij steunde dat beleid aanvankelijk enthousiast. Pas na een jaar of tien begon hij Israëls aanwezigheid op de Westoever en in Gaza als een obstakel voor een toekomstige vrede met de Palestijnen en de Arabische wereld te zien. Uiteindelijk zou hij hét symbool en Israëls belangrijkste pleitbezorger worden van de ideeën 'Land voor vrede' en de 'tweestatenoplossing'. Hopenlijk kunnen die twee concepten – verre van ideaal maar nog altijd beter dan om het even welk alternatief, of dat nou een binationale staat of een staat zonder Joden of Palestijnen is – deze week niet samen met Shimon Peres ten grave worden gedragen.

Eén van de leerlingen op mijn school omschreef het vanmorgen treffend: "De opa van het land is gestorven". Met Peres is het eerste deel van de geschiedenis van dit jonge land afgesloten. De generatie van de founding fathers is niet meer, althans, niemand van hen speelt nog enige rol van publieke betekenis. Ondanks de vele fouten en misstanden in Israël en de bezette gebieden, en de diverse kleine en grote ergernissen en irritaties die ik hier dagelijks ervaar, doe ik altijd mijn best vooral naar de indrukwekkende prestaties en inspirerende lichtpunten van dit fascinerende land te kijken. En in dat opzicht zijn wij in Israël de generaties van en vóór Shimon Peres veel dank verschuldigd. Het is nu aan de nakomelingen daarvan om ervoor te zorgen dat de idealen waarmee het zionisme ooit begon niet als een nachtkaars uitgaan, en dat de droom van hun (groot- en overgroot-)ouders nooit een nachtmerrie zal worden.