Monday, May 23, 2016

If you come across this blog and do not know Dutch...

...you might notice that in the last few years I have not written very much in English. It's a fact that, whereas in the first nine, ten years of this weblog's existence I used to blog a lot, both in Dutch and in English, after 2012 I somehow stopped having the time and energy to spend as much time writing online as I had before. Since then, on this blog I have mainly posted articles of mine, in Dutch, which were published in two Dutch newspapers that I occasionally write for. If you want an idea of what I wrote in earlier years, just browse through previous postings, or search for "Jerusalem Report" in the search engine on this weblog (you can also click here). Three fairly recent articles that I wrote in English (and one revised version of a not so recent one) you can find here, on the website Times of Israel. Every now and then I also post comments - similar to the kind of things I used to post on my blog - on Facebook.

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende artikel stond afgelopen zaterdag in het Friesch Dagblad.

Een verbazingwekkend land


Als er iets is wat me steeds weer fascineert in Israël, dan is het wel het feit dat het land en zijn mensen me steeds weer kunnen verbazen. Al slaat die verbazing de laatste jaren nogal eens om in verbijstering of ontsteltenis. Telkens wanneer ik denk dat het niet gekker, absurder, of onheilspellender kan, kom ik erachter dat ik simpelweg niet genoeg verbeeldingskracht had.

In sterk contrast met het aangename en rustige weer, raast er een politieke storm door Israël. Wekenlang hoorden we over pogingen om tot een regering van nationale eenheid te komen. De vleugellamme ex-Arbeidspartij zou deel gaan uitmaken van de rechts-religieuze regering onder leiding van Binyamin Nethanyahu. Blijkbaar wilde Nethanyahu vooral druk uitoefenen op de tamelijk extreem-rechtse Israël Ons Huis partij. Zo kon hij de zes Knessetleden van IOH in de richting van de smalle regeringscoalitie (tot nu toe 61 van de 120 Knessetzetels) manoeuvreren, en daarmee zijn eigen politieke positie veiligstellen. Dat IOH-leider Avigdor Liberman een grote politieke concurrent op rechts is deert de premier nauwelijks. Voor Nethanyahu zijn korte-termijn-denken en politieke overleving immers meestal belangrijker dan visie, strategisch denken, of het landsbelang.

Dat laatste wordt helemaal duidelijk nu we weten wie binnen de regering plaats moet maken voor Liberman: Moshe Yaalon (bijnaam ‘Boogy’), de minister van defensie. Van alle  kabinetsleden was hij – voormalig opperbevelhebber van het Israëlische leger – feitelijk de enige die werkelijk verstand van zijn vak had. Zo heeft Israëls minister van financiën een eerste graad in rechten, politieke wetenschappen en ‘algemene studies’, is de minister van justitie een gediplomeerd computeringenieur zonder enige juridische achtergrond, en heeft de minister van ‘wetenschap, technologie, en ruimte’ slechts een bachelor’s graad in sociale wetenschappen. Bijna nog grotesker dan dit gebrek aan deskundigheid onder Israëls huidige regeringsleiders is de veelvoud van taken van sommige kabinetsleden. Zo is premier Nethanyahu ook, in feite of in naam, minister van communicatie, van buitenlandse zaken, van gezondheid, van regionale samenwerking, van economische zaken, en – na Yaalons aftreden en totdat de onderhandelingen met Israël Ons Huis zijn afgerond en Liberman Yaalon opvolgt – nu dus ook even minister van defensie. Erdogan kan nog wat van hem leren. Er is nog een parallel met Turkije. Steeds meer zijn het nu juist hoge officieren en professionele veiligheidsdeskundigen die pleiten vóór seculier-zionistische waarden en relatief gematigde principes, en tégen gevaarlijke militaire avonturen.

Yaalons positie werd – wat Bibi betreft – onhoudbaar, vooral door twee recente affaires. Eind maart schoot een Israëlische soldaat een gewonde, en volgens getuigen niet meer gevaarlijke, terrorist in koelen bloede dood. De soldaat werd gearresteerd, en tegen hem loopt een militaire rechstzaak. De opperbevelhebber van het leger uitte openlijk kritiek op de (mis)daad van de soldaat, en werd daarbij gesteund door zijn ‘baas’, de minister van defensie. Premier Nethanyahu, daarentegen, voelde zoals altijd goed aan dat een aanzienlijk deel van de bevolking zich achter de soldaat schaarde en hem als held beschouwde, en belde zelfs zijn familie op om hun een hart onder de riem te steken. Een andere ‘affaire’ vond plaats op de Holocaustgedenkdag. Mede naar aanleiding van de ontwikkelingen rond ‘de schietende soldaat’ sprak de tweede man van het leger, generaal Yair Golan, in een officiële toespraak zijn zorgen uit over gevaarlijke en zorgwekkende tendenzen binnen de Israëlische maatschappij. Het was duidelijk dat hij daarbij o.a. doelde op het groeiende racisme en nationaal-religieus extremisme, en de diepe, groeiende verdeeldheid in het land. Golan verwees rechtstreeks naar “processen in het Europa van 70, 80, 90 jaar geleden”. Nethanyahu leidde het koor van hen die schande spraken over deze ‘ongehoorde’ vergelijking. Yaalon sprak openlijk zijn steun uit voor Yair Golan, en kort daarna zei hij in een toespraak tot hoge officieren dat ze altijd voor hun professionele en persoonlijke mening moeten uitkomen, ook als die niet overeenstemt met die van de meerderheid of van hun superieuren. Origineel handelen en kritisch denken zijn altijd troeven geweest van het Israëlische leger. De premier kon het echter niet verkroppen dat zijn opportunistische en populistische stem keer op keer werd tegengesproken door de enige ‘verantwoordelijke volwassene’ binnen de regering.

Bibi moest dus van Boogy af.  En tegelijkertijd wilde hij zijn coalitie verbreden. Daarom verving hij aan het hoofd van één van de belangrijkste ministeries een superdeskundige generaal door een korporaal (tevens een racistische, onberekenbare, meer dan eens van corruptie beschuldigde bewonderaar van Poetin). Boogy’s plaats in de Knesset wordt ingenomen door een ‘Tempelactivist’, die pleit voor het herbouwen van de Tempel daar waar nu de al-Aqsa moskee staat. Wat nog zorgwekkender is dan Nethanyahu en zijn kliek van jaknikkers is het feit dat er geen oppositie van betekenis is, en dat er aan de politieke oppervlakte geen geloof- en levensvatbaar alternatief voor Bibi te zien valt. Met het gezonde verstand kun je gewoonweg niet verklaren hoe een land, door dit soort politici geleid, door zoveel gevaren omringd, en door dusdanig veel problemen (deels van eigen makelij) geteisterd, het al met al in verschillende opzichten redelijk tot goed doet. Kortom, Israël is een bijzonder, fascinerend, en verbazingwekkend land, en dat blijft-ie.

Wednesday, February 17, 2016

Artikel in het Reformatorisch Dagblad

Het volgende stuk stond gisteren in het Reformatorisch Dagblad.

Vele kleintjes maken grote dingen

Telkens wanneer ik zie hoe buitenstaanders, christenen vooral, oprecht geïnteresseerd zijn in al wat zich in het Heilige Land, afspeelt, vervult me dat met een mengeling van verwondering en dankbaarheid. Vorige maand ervoer ik dat gevoel weer, toen ik rond de Holocaustgedenkdag namens mijn school voor lezingen – bij protestants-christelijke gemeenten en op een middelbare school – in Noord-Beieren was uitgenodigd. Werkelijke belangstelling, kritische maar respectvolle vragen, en ware vriendschap: voor veel christenen blijft de Joodse staat “meer dan zomaar een land op de aardbol” (Bernard Bot, in mijn boek "Israël en ik" (2008)). Gelukkig maar.

Ook Bart Jan Spruyt is gefascineerd door Israël. Zijn "Staan we aan de vooravond van grote dingen?" (Reformatorisch Dagblad, 8 februari j.l.) bevat bijkans mystieke overpeinzingen na zijn recente, eerste, bezoek aan Israël. Daarbij trekt hij boeiende parallellen tussen zijn eigen inzichten en de visies van Groen van Prinsterer en diens ‘Réveilvriendenʼ anderhalve eeuw geleden. In twee opzichten heb ik moeite met Spruyts interpretatie.

Allereerst boezemt wat zich ondanks Spruyts terughoudendheid laat lezen als een vorm van wishful thinking mij altijd een zekere angst in. Vooral omdat dergelijke eindtijdsverwachtingen, ondanks alle verschillen, onmiskenbare raakvlakken hebben met Joodse én islami(s)tische eschatologische ideologiën, die meestal gepaard gaan met (visioenen vol) grof geweld. Als seculiere Zionist, gelovig maar voorstander van de scheiding van staat en religie, én als vader van drie kinderen (waarvan de oudste al begonnen is met de keuringen voor het leger), voel ik er weinig voor ongevraagd een rol te spelen in wat voor apocalyptisch scenario dan ook. Het zionisme heeft van oudsher messiaanse elementen gehad, maar deze nationalistische beweging is altijd toch vooral seculier én pragmatisch geweest. Een democratische staat, met een Joodse meerderheid en verdedigbare, internationaal erkende grenzen, dat is al waar het ons om te doen is, voor zover ik weet. Voor mij maakt bovendien rechtvaardigheid voor Joden én Palestijnen deel uit van de zionistische droom. De “toespitsing van grote tegenstellingen” zie ik als iets wat waar mogelijk tegengegaan moet worden, niet als een haast onontkoombaar, of misschien zelfs wenselijk gegeven.

Daarnaast ben ik van mening dat Spruyts hypothetische keuzestelling (“Het zou mij niet verbazen als wij op een gegeven moment voor de keuze komen te staan: óf we blijven Israël steunen en nemen terreur op de koop toe, óf we zeggen die steun op in ruil voor een vreedzaam bestaan. Ik ben er niet zeker van dat iedereen dan de juiste keuze zal maken”) tamelijk absurd is. Het is heel goed mogelijk – of liever, de plicht van iedere vriend van Israël – om de Joodse staat te steunen zónder terreur op de koop toe te nemen. Steun én kritiek (op bijvoorbeeld het nederzettingenbeleid van de Israëlische regering, een beleid waaronder ook veel Palestijnse christenen lijden) kunnen daarbij heel goed samen gaan, en die combinatie getuigt niet van minder loyaliteit met Israël, integendeel. Bovendien zou ik nooit suggereren dat landen zichzelf van een vreedzaam bestaan kunnen verzekeren (d.w.z. terreuraanslagen kunnen afkopen) door Israël af te vallen. Zo’n suggestie geeft blijk van een gebrek aan inzicht in de aard van bijvoorbeeld IS. Zie de recente aanslagen in Turkije, niet bepaald de grootste vriend van Israël de laatste jaren.


Bij het lezen van de titel en de conlusie van Spruyts artikel moest ik onwillekeurig denken aan de zegswijze “Vele kleintjes...”. Net als hij, en vrijwel alle Joden en christenen (ieder met zijn of haar eigen verwachtingen en invulling), zie ik uit naar de komst van de Messias, en hoop ik dat die komst zal leiden tot een rechtvaardiger, leefbaarder werkelijkheid voor Joden, Arabieren, christenen, moslims, en de gehele mensheid. Ik denk echter dat we allemaal, teneinde “de vooravond van grote dingen” te bereiken en Yerushalayim shel lemala (Jeruzalem van boven) te verwezenlijken, eerst zélf nog heel veel kleine dingen zullen moeten doen. Voor onze buitenlandse vrienden kan het kiezen voor proactieve én kritische steun aan Israël zo’n klein ding zijn. Zo’n keuze is naar mijn bescheiden mening dé juiste.

Thursday, January 07, 2016

Artikel in het Reformatorisch Dagblad

Het volgende artikel stond gisteren in het Reformatorisch Dagblad.

Problemen te over

Harry Honigh (“Israël niet hét probleem in de wereld”, 26.12.15) stelt terecht dat Israël niet het belangrijkste struikelblok in de wereld is, dat de Joodse staat momenteel een strijd “om het naakte bestaan” voert, en dat dit land de hulp en steun van christenen hard nodig heeft. Zijn en mijn interpretatie van de realiteit verschillen echter in meerdere opzichten.

Over het nietbestaande verband tussen moslim-extremisten en het Palestijns-Israëlische conflict zijn Honigh en ik het volkomen eens. Dat een Palestijnse staat naast Israël (volgens velen een onlosmakelijk deel van een rationele oplossing van ‘het’ conflict) of zelfs (God verhoede) in plaats van Israël de islamistische terreur zou stoppen is een waanidee. Israël is niet hét probleem en niet dé versjteerder in het Midden-Oosten. Als overtuigd en praktizerend Zionist weiger ik te geloven dat Israël als zodanig überhaupt eenprobleem is. Ik denk juist dat het land een pilaar van stabiliteit en een bron van inspiratie voor de regio zou kunnen zijn. Toch meen ik dat minstens één element binnen Israëls regeringsbeleid problematisch is, en bepaalde problemen veroorzaakt of voedt.

Vandaag de dag is, naast Palestijns(-islamistisch)e terreur, het rechts-religieuze extremisme dat zich de laatste jaren meer en meer in Israël en vooral op de (bezette, betwiste, hoe je het noemen wilt) Westoever manifesteert één van onze belangrijkste of althans gevaarlijkste problemen. Al jaren spelen politie en leger een kat-en-muis-spel met de zogenaamde ‘heuveltop jeugd’, een groep van feitelijk anarchistische jonge kolonisten. Zij spelen een sleutelrol in de bouw van illegale danwel ‘betwiste’ nederzettingen of ‘buitenposten’ (vlakbij bestaande nederzettingen), bij de vaak gewelddadige demonstraties tegen de ontruiming van dergelijke plaatsen door de autoriteiten, en in de zogenaamde ‘prijskaart’ terreurdaden tegen Palestijnen en tegen ‘Arabische’ eigendommen (huizen, olijfbomen, auto’s, moskeeën, kerken). Ook de hoofdverdachte van de moord in Duma, door middel van een brandbom, op de 18 maanden oude Ali Saad Dawabsha en diens ouders (hun 4-jarige zoontje Ahmad liep zware brandwonden op), was een (voormalige) ‘heuveltopjongere’. Hij behoort tot een groep die ‘De Opstand’ heet. Deze groepering, waarschijnlijk bestaande uit slechts enkele tientallen activisten, keert zich tegen de ‘vreemde’ zionistische staat en wil een Joods Koninkrijk stichten. Activisten van een andere extremistische groep, Lehava (Voor het Voorkomen van Assimilatie in het Heilige Land, vooral actief in de ‘strijd’ tegen gemengde huwelijken), werden eerder dit jaar veroordeeld voor brandstichting in een centrum voor gezamenlijk Joods-Arabisch onderwijs in Jeruzalem. De leider van Lehava, evenals die twee brandstichters een praktizerend kolonist, heeft onlangs gezegd dat er voor Kerstmis geen plaats is in Israël. Hij noemde christenen vampiers en bloedzuigers, die (uit Israël) verwijderd moeten worden.

Weliswaar gaat het hier om randverschijnselen. Toch moet worden vastgesteld dat die verschijnselen zich hebben kunnen ontwikkelen met stilzwijgende danwel actieve steun uit o.a. regeringskringen, en dat ze op zijn minst indirect verband houden met het nederzettingenbeleid. Tot de moord in Duma konden de ‘heuveltop jongeren’ rekenen op morele en praktische steun van veel ‘mainstream’ kolonisten, en van de kolonistenlobby binnen de Likud en Het Joodse Huis (HJH). Betsalel Smotritch, HJH Knessetlid, weigert tot op heden de misdadigers van Duma (of bijvoorbeeld Baruch Goldstein, de extremistische kolonist die in 1994 29 moslims in een moskee vermoordde) terroristen te noemen. Wat het anti-terreurbeleid aangaat gelden in Israël en voor Joden de facto andere wetten dan op de Westbank en voor Palestijnen. Dit staat nog los van de economische en diplomatieke schade die het nederzettingenbeleid Israël berokkent. Premier Nethanyahu helpt ook niet echt. Door bijvoorbeeld op verkiezingsdag vorig jaar, en na een terreuraanslag in Tel Aviv afgelopen week, in te spelen op anti-Arabische onderbuikgevoelens onder zijn kiezers, heeft hij de toch al bestaande kloof tussen Israëls Joden en Arabieren alleen maar groter gemaakt. Arabische Israëliërs, die misschien wel een deel van ʻde’ oplossing voor het conflict zouden kunnen zijn, worden zo steeds meeren bloc in de rol van buitenstaander, vreemdeling, en vijand gedrukt.

Ook met betrekking tot een ‘coöperatieve opstelling’, of liever een gebrek daaraan, verschillen Harry Honigh en ik van mening. In mijn ogen kunnen Palestijnen en Israëliërs in dat opzicht elkaar namelijk de hand schudden. Geen van beide partijen heeft de laatste jaren bovengemiddeld haar serieuze best gedaan om vrede dichterbij te brengen, en beide partijen maken zich continu schuldig aan het aanzetten tot (of het niet actief genoeg voorkomen van) haat en geweld. Israël, als Joodse én democratische staat, voert zonder meer een strijd om zijn bestaan, naar binnen en naar buiten toe. Naast morele steun en gebeden, waar meer dan ooit behoefte aan is, zou ik dan ook graag zien dat Israëls vrienden hun Israëlische gesprekspartners deelgenoot maken van hun verontrusting over directe en indirecte gevolgen van het nederzettingenbeleid, en dat die vrienden – als ze ook Palestijnse contacten hebben – hun best doen om hun gesprekspartners van beide kanten (nader) tot elkaar te brengen. Met dergelijke toenaderingen (hoe kleinschalig ook) begint de weg naar vrede, zo is mijn persoonlijke overtuiging en ervaring. Ook al zal een uiteindelijke (imperfecte) vrede tussen Israël en de Palestijnen IS en andere islamistische terreurbewegingen niet doen verdwijnen, Joden en Arabieren en de wereld als geheel zullen er zeker wel bij varen.

Wednesday, December 23, 2015

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende artikel stond gisteren in het Friesch Dagblad.
Tel uw zegeningen!

Geachte mede-Nederlanders,

Begin december was ik in Nederland met onze jongste zoon (9). Hij heeft de vakantie van zijn leven gehad, met bezoeken aan diverse musea (hij is gek op kunst), twee dagen in de Efteling (inclusief een heerlijke hotelovernachting), en een bezoek van Sinterklaas en twee heuse Zwarte Pieten bij opa thuis. Nu kon dat tenminste nog. En dat brengt me bij de reden voor dit artikel: zalig is het land waarin al jarenlang gedurende de laatste drie, vier maanden van het jaar een ‘zwarte-pietendiscussie’ zo ongeveer het heetste hangijzer is.

Toen ik vorige week weer terug in Haifa was, vroeg een collega, die met zijn vriend in dezelfde vakantieweek in Amsterdam en omgeving was geweest, mij doodserieus: “Wat doe je hier in hemelsnaam? Waarom ben je hierheen gekomen? Wat een stad is dat, Amsterdam! Zulke aardige mensen, zoveel vrijheid! Beseffen de mensen in Nederland wel hoe goed ze het hebben, en hoeveel mazzel ze hebben?” Ik moest even nadenken over het antwoord. Ik ben het met hem eens dat Amsterdam een prachtstad is, maar Nederland is meer dan enkel Amsterdam, en als ik de media, sommige politici en online fora mag geloven bepalen niet zozeer blijdschap, hoop en dankbaarheid maar eerder angst, woede, en ontevredenheid de hedendaagse gevoelens van veel Nederlanders.

Zo hoor en lees ik vaak klachten over het openbaar vervoer in Nederland. Wegens een seinstoring moesten wij ook zelf een klein deel van de reis van Den Haag (Mauritshuis, Escher, Mesdag!) naar Leerdam per touringcar afleggen (waarbij de chauffeur de weg niet wist en een medereiziger als navigator dienst moest doen). Op dit incident na liep alles die week echter perfect. De treinen, trams en bussen waren schoon, de informatieborden werkten goed, en het personeel was vriendelijk en behulpzaam. Ik begrijp van vrienden en familie dat ergernissen zich opstapelen wanneer je dagelijks van het openbaar vervoer gebruik maakt, maar zelfs dan valt het aantal keren dat het fout gaat voor zover ik weet in het niet bij de vele malen dat alles loopt zoals het hoort. Ik reis zelf bijna altijd met het openbaar vervoer in Nederland. In Israël heb ik bijna twintig jaar geleden mijn rijbewijs gehaald omdat je hier niet echt van bussen en treinen op aan kunt. Er is de laatste jaren veel verbeterd, maar het valt in het niet bij de kwaliteit van het openbaar vervoer in Nederland.

Een ander voorbeeld, de wegen. Die zijn hier in Israël schrikbarend slecht. De laatste jaren zijn vooral de snelwegen verbeterd, maar bij ons in de buurt ligt bijvoorbeeld de straat al ruim anderhalve maand open, en waar hij af is is het eindresultaat nog steeds krakkemikkig. Bij mijn vader om de hoek werd, in de kou en regen, in de week dat ik er was een vergelijkbaar stuk straat vervangen en verbeterd, wat resulteerde in een mooie, veilige weg die weer jaren mee kan. Israëliërs die Nederland bezoeken prijzen niet voor niets het wegennet in Nederland.

En dan de politiek. Tijdens mijn verblijf presenteerde de Commissie Oosting het rapport over de Teevendeal. Leugens, handjeklap en samenzweringen onder liberale bewindsleden, dat is waar, maar qua corruptie en onderhandse deals kunnen Nederlandse politici nog veel, heel veel leren van hun Israëlische collega’s. Dan heb je hier ook nog de zeer vele gevallen van sexuele intimidatie, die vooral in het politiekorps maar ook binnen de politiek voor veel opschudding hebben gezorgd. Zo kwamen deze week beschuldigingen tegen de Minister van Binnenlandse Zaken naar buiten. En tenslotte is daar de verstrengeling van staat en religie, en de inperkingen van democratische vrijheden. Terwijl de Minister van Justitie deze week pleitte voor meer ruimte voor de Joodse religieuze wetten binnen de rechtspraak, worden Israëlische mensenrechtenorganisaties en andere linkse groeperingen meer en meer in de verdachtenbank en het verdomhoekje geplaatst. Als je kritiek op het nederzettingenbeleid uit ben je al gauw een verrader, en ‘links’ is al jarenlang een scheldwoord. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de constante terreurdreiging, die niet alleen maar wel degelijk mede een gevolg is van dat nederzettingenbeleid.

Mijn collega, die gelukkig is met zijn vriend en hun kinderen, een relatief goed betaalde baan heeft en in een al met al welvarend en redelijk veilig land leeft, ziet Nederland als de hemel op aarde. Weliswaar slechts op basis van een week in en om Amsterdam, maar dat is een bredere indruk die de meeste buitenlanders van Nederland krijgen. Kun je nagaan wat voor idee van Holland Israëls buren, in de Palestijnse gebieden, Egypte, Libanon, en vooral Syrië hebben. Als je het objectief bekijkt, zelfs zonder te denken aan mensen die het minder goed hebben, dan is Nederland natuurlijk nog steeds een fantastisch land: zoveel natuurschoon, zoveel rijkdom (economisch, cultureel, historisch), zoveel rust en vrede en vrijheid, mooie infrastructuren die soms haperen maar meestal toch echt meer dan prima functioneren. Ondanks alle werkelijke problemen die Nederland vanzelfsprekend wel degelijk heeft, zou ik vooral de ontevredenen en verbitterden onder u in deze maand van bezinning en goede voornemens vanuit het Heilige Land dan ook één kerstgedachte willen meegeven: tel uw dagelijkse zegeningen, en beleg uw boterham eens wat vaker bewust met tevredenheid.

U allen wens ik een gelukkig en gezond, vreedzaam en bevredigend 2016.

Met vriendelijke groet,

Bert de Bruin

Tuesday, November 17, 2015

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende artikel stond vandaag in het Friesch Dagblad.

Het constante slachtoffer

Een bekend cliché zegt ons dat de waarheid het eerste slachtoffer van oorlog is. Dat iets een cliché is wil niet zeggen dat het onjuist is. Toch vraag ik me af of deze specifieke platitude niet herzien moet worden. Als iets al als eerste, en als een vrijwel constant, slachtoffer van oorlog gezien moet worden, dan is dat volgens mij eerder het gezond verstand dan de waarheid, mede omdat die laatste nu eenmaal diverse versies heeft. Goede voorbeelden zijn de oorlog tegen ISIS én het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Of, zoals niet weinige Israëliërs (waaronder veel prominenten en politici), dat laatste lijken te zien, het conflict tussen Israël aan de ene en ISIS, de Palestijnen, Iran, en de rest van de wereld aan de andere kant.

Ook in de afgelopen week, in reacties op het EU-besluit om produkten uit de Israëlische nederzettingen op de Westoever als zodanig te labelen, werd het gezond verstand in Jeruzalem weer eens op nul gezet. Nietbestaande verbanden werden gelegd en onzinnige conclusies werden getrokken. Als reactie brachten rechtse Knessetleden twee controversiële wetten naar voren die de argumenten van tegenstanders van Israël alleen maar versterken. Volgens één zo'n wet  moeten Israëlische organisaties die subsidies uit Europa krijgen en voor vrede danwel tegen de bezetting actief zijn, zichtbaar gebrandmerkt worden. De andere wet ontzegt eenieder die een boycot van Israël of de nederzettingen steunt toegang tot de Joodse staat. In Jeruzalem spraken zowel regerings- als oppositie'leiders' schande van het EU-besluit, en ze namen – zoals te verwachten viel – zonder aarzelen het 'a-woord' (antisemitisme) in hun mond. Nethanyahu – die onlangs zijn waarde als geschiedkundige bewees door feitelijk Amin al-Husseini als hoofdschuldige voor de Holocaust aan te wijzen – legde een direct verband tussen jodensterren en het labelen van produkten uit bezet gebied, en iedereen sprak van een boycot. Sinds wanneer is labelen hetzelfde als boycotten? Bovendien zou in mijn zionistische ogen juist iedereen die Israël een warm hart toedraagt elk besluit dat een onderscheid maakt tussen Israël – als legitieme staat – en de Westoever moeten toejuichen. Maar goed, het is mijn gezonde verstand dat me dit doet zeggen. Alleen al het feit dat Israël na deze, zo weinig betekenisvolle of verstrekkende maatregel, dusdanig hysterisch reageert en moord en brand schreeuwt geeft aan dat men in Jeruzalem weet dat we met de nederzettingen fout zitten. Niemand met een schoon geweten en een goed functionerend gezond verstand zou zo panisch reageren op zo'n onbeduidend besluit.

Ook na de aanslagen in Parijs maakte het ongezonde verstand overuren in Europa en Israël. Zo werd de gelegenheid door Nederlandse, Franse en andere Europese tegenstanders van het vluchtelingenbeleid van de EU (een beleid waartegen ook zeer legitieme argumenten kunnen worden ingebracht, laten we dat niet vergeten) aangegrepen om een algehele vluchtelingenstop te eisen. Men vergat dat veel vluchtelingen nu juist voor moslemextremisme gevlucht zijn, en dat hun als groep van terreur te beschuldigen of hen buiten te sluiten ronduit ziek is. Nog een schoolvoorbeeld van een onzinnige reactie: de Zweedse minister van Buitenlandse Zaken verbond de wanhoop van de Palestijnen met de motieven van de (mis)daders van de aanslagen in Parijs. Daarnaast hoorde ik diverse Israëlische commentatoren – politici maar ook een enkele gerespecteerde journalist – dingen zeggen in de trant van "Nu weten ze in Europa ten langen leste eens met wie ze te maken hebben" en "Hopelijk leert de EU nu eindelijk eens haar les". Dergelijke commentaren suggereren dat de Palestijnse terreur en de terreur van ISIS – en dat per saldo Palestijnen en ISIS – één en dezelfde zijn, dat we uit al die aanslagen dezelfde lering kunnen trekken, en dus dat er een one-size-fits-all oplossing voor elke vorm van terreur bestaat.

Wat kunnen we van de laatste golf aanslagen in Parijs leren? Dat ISIS genadeloos, tot op de laatste man bestreden moet worden? Iedereen met een gezond verstand begrijpt dat. Net zo goed als dat ieder redelijk denkend mens snapt dat een land dat geen internationaal erkende grenzen heeft en een ander volk (het gevoel geeft) onderdrukt (te zijn) – ik druk me hier voorzichtig uit, om niet overstroomd te worden met reacties van mensen die de zegeningen van Israëls aanwezigheid aan gene zijde van de Groene Lijn willen prijzen – geen vrede en rust zal kennen.  En net zoals ieder weldenkend mens weet dat een einde aan de bezetting waarschijnlijk geen einde aan het conflict zal betekenen, maar wel de belangen van zowel (gematigde) Palestijnen als Israël zal dienen en een ramp zal zijn voor de fanatici aan beide kanten van het conflict. Zo zal dan o.a. duidelijk worden dat het lot van de Palestijnen altijd een drogargument in de handen van moslimfundamentalisten is geweest. 

Als er al een les uit de gebeurtenissen van de laatste maanden en jaren te trekken valt, dan is het dat Europa en Amerika het Midden-Oosten niet kunnen negeren. Wanneer ze dat wel doen, komt het Midden-Oosten naar hun woonkamer. In de jaren veertig van de vorige eeuw bereidde de Yishuv, de Joodse gemeenschap in Palestina, de stichting van een eigen staat voor. De Britse mandaatsautoriteiten werkten de Yishuv op diverse manieren tegen, o.a. met een zogenaamd White Paper (1939). Tijdens de oorlog dienden duizenden Joodse vrijwilligers uit de Yishuv in het Britse leger, onder meer geїnspireerd door de fameuze uitspraak van David Ben Gurion: "We zullen de oorlog (tegen Duitsland) vechten alsof er geen White Paper is, en tegen de White Paper vechten alsof er geen oorlog is". Ik zou daar een variant op willen voorstellen: we moeten meedogenloos tegen ISIS strijden, en waar en wanneer dat nodig is ons verzetten tegen antisemitisme, Hamas, een nucleair Iran enz. alsof de bezetting niet bestaat, én tegelijkertijd ons tegen Israëls nederzettingenbeleid verzetten en voor vaste, internationaal erkende grenzen tussen Israël en een Palestijnse staat pleiten alsof ISIS en alle andere vormen van islamisme, jodenhaat etc. er niet zijn. Kortom, of bovenal, we moeten in de context van terreurbestrijding én van het Palestijns-Israëlische conflict het gezonde verstand (of, in solidariteit met Frankrijk, le bon sens) van constant slachtoffer tot leidraad maken.

Friday, October 23, 2015

Joep Bertrams on 'The Situation'

Another great cartoon by Joep Bertrams.


"Mutual Incitement Makes the Situation in Israel and the Occupied Territories More and More Explosive"

Tuesday, October 20, 2015

Joep Bertrams on Syria


Who is Who

For years, Joep Bertrams has been one of my favorite cartoonists. His work is really good, but sometimes he makes truly brilliant and amazing cartoons. This is one of them, IMHO. 

Tuesday, September 29, 2015

"We Count For Nothing"

The Dutch original of this article was published in the daily Friesch Dagblad earlier today. I wrote the article on Saturday, and then on Sunday suddenly the schools and the Ministry reached a compromise, which ended the strike, and which also forced me to make some minor changes. The same changes I made in the English translation.

“Wij tellen niet mee”

Het volgende artikel staat vandaag in het Friesch Dagblad.

“Wij tellen niet mee”

Op 1 september, het begin van het schooljaar in Israël, sprak de directeur-generaal van het ministerie van onderwijs van “een probleemloze opening van het schooljaar”. Deze ene zin geeft in feite aan wat de kern van dit verhaal is. In Israël zijn onderwijsstakingen, of is op zijn minst het dreigen daarmee, een regelmatig terugkerend verschijnsel, vooral rond de eerste dag van de herfstmaand. Dat 33,000 kinderen, leerlingen aan 47 christelijke scholen in het hele land, een maand lang niet naar school konden omdat hun ouders en de schoolleiding de scholen uit protest tegen besnoeiingen op regeringssubsidies weigerden te openen, stoorde nauwelijks iemand.

Geen politieke invloed

Het gaat hier om basis- en middenscholen die beheerd worden door diverse kerken. Ongeveer driekwart van de scholen is gelieerd aan de katholieke kerk, de rest aan christelijk-orthodoxe of anglicaanse kerkgenootschappen. Het conflict tussen deze ‘bijzondere’ scholen en het ministerie begon in 2009, toen de plaats van minister Yuli Tamir (Arbeidspartij) werd ingenomen door Gideon Sa’ar (Likud). Hij en vooral zijn opvolger Shai Peron (van de sterk seculiere ‘Er Is Een Toekomst’ partij) waren erop gebrand om de positie van de openbare scholen (Arabisch/Druzisch, Joods seculier, en Joods religieus) te versterken ten koste van de semi-private scholen (christelijk en ultra-orthodox), die in tegenstelling tot de openbare scholen maar 75% procent van hun begroting van staatswege ontvangen. Dit beleid leidde per saldo tot drastische kortingen op regeringssubsidies voor deze scholen. De tekorten die hier het gevolg van waren konden door de christelijke scholen aanvankelijk deels worden opgevangen door het verhogen van de ouderbijdrage, maar minister Peron stelde daar grenzen aan. Toen eerder dit jaar de ultra-orthodoxe partijen na een kort hiaat weer deel gingen uitmaken van de regeringscoalitie, slaagden zij er makkelijk in de bezuinigingen op hun schoolsubsidies ongedaan te maken of voor alternatieve financiering te zorgen. De christelijke scholen, leerlingen en ouders die door de kortingen zijn getroffen hebben echter geen specifieke vertegenwoordigers of lobby in de Knesset, en staan dus politiek zwak, al kregen ze tijdens de staking morele steun van diverse (vooral Arabische en linkse) parlementsleden. Zoals meerdere mensen die ik voor dit stuk sprak zeiden, en ik parafraseer, in Israël moet je schreeuwen, dreigen of politieke en andere connecties hebben om gehoord te worden en je belangen te verdedigen. Diezelfde mensen stelden echter ook dat dit helemaal geen politieke strijd zou mogen zijn.

Onverschilligheid

Tekenend voor het gebrek aan aandacht voor deze schoolstrijd is dat ook ikzelf, die redelijk trouw het nieuws volgt, pas werkelijk een idee van de omvang van het probleem kreeg toen mijn eigen school, samen met alle middelbare scholen in Israël, na drie weken eindelijk een solidariteitsstaking van twee uur hield. Tot dan toe was het onderwerp vrijwel genegeerd, ook door de lerarenbonden. Een delegatie van leerlingen, leraren en ouders van de School van de Zusters van Nazareth kwam ons uitleggen waarom ze staakten. Martha Shithi, een leerlinge die het woord voerde namens de delegatie zei dat de onverschilligheid met betrekking tot discriminatie nog meer pijn deed dan de discriminatie zelf. Nauwelijks een week na die twee-uurs-solidariteitsstaking werd een compromis gevonden dat de staking beëindigde.


Het gezin Armaly. V.l.n.r. Nabil, Adan, Leen, Nardin en Camilia. (Foto: Bert de Bruin)


Hoop op een structurele oplossing

Het ministerie, o.l.v. minister Naftali Bennett (Het Joodse Huis), ontkende in alle toonaarden dat er sprake was van discriminatie. Eén van de claims van ministeriewoordvoerders was dat transparantie in het financiële beleid van de scholen ontbreekt. Assaad Talhami, journalist en een actieve en betrokken ouder van een middelbare scholier, vertelde me overigens dat dat gebrek aan transparantie ook een doorn in het oog van veel ouders is. Hij zei dat hij weinig hoop had in een bevredigende afloop van de staking, maar dat ze waarschijnlijk wel zou leiden tot meer inspraak voor de ouders van de scholieren in het reilen en zeilen van de scholen.  Dat de scholen, zoals het ministerie tevens beweert, elitistisch zouden zijn wordt door alle mensen die ik sprak ontkend. De ouderbijdrage is 75-100 Euro per maand. Wie dat niet kan betalen kan meestal aanspraak maken op een gedeeltelijke of volledige beurs. De scholen spelen een rol van levensbelang voor christenen in Israël. Het in het compromis genoemde bedrag is slechts een fractie van alleen al de in de afgelopen twee jaar opgelopen tekorten. Of de aangekondigde commissie voor een structurele oplossing kan zorgen is de vraag. Zo’n oplossing was de belangrijkste eis van de ouders. Voor hen is het essentieel dat de legale en financiële positie van de scholen van hun kinderen beter geregeld wordt, zodat het onderwijs van hun kinderen gegarandeerd wordt en niet afhankelijk blijft van de gunsten van beambten en politici.

Vrije schoolkeuze

Met alle respect voor getallen en politiek, waar het hier uiteindelijk om ging zijn de toekomst en de gevoelens van vele duizenden Israëliërs. Om een indruk van die gevoelens te krijgen bezocht ik ruim drie weken na het begin (en, zonder dat we dat wisten, kort voor het einde) van de staking de stad Shefa Amr (in het Hebreeuws Shfar’am), een kwartier rijden van mijn huis. Van de bijna 40,000 inwoners van deze stad is ongeveer een kwart christen. Ik had diverse contactpersonen om namen gevraagd van mensen die hun kant van dit verhaal konden vertellen. Zo ontmoette ik naast Assaad Talhami ook Nabil Armaly, redacteur van een tijdschrift en CEO van een bureau voor vertalingen en localization. Nabil en zijn vrouw Nardin, manager bij een mobiele-telefoonprovider, hebben drie dochters: Camilia (11 maanden), Adan (die op 1 september voor het eerst naar ‘de grote school’ had moeten gegaan), en Leen, die deze week eindelijk de derde klas begint. Hun dochters zijn de vierde generatie in Nabils familie die naar de Episcopale Katholieke school, op loopafstand van hun huis, gaat. Net als meneer Talhami koos het gezin Armaly voor deze school niet alleen omdat ze christenen zijn (veel van de leerlingen op deze scholen zijn moslim) en het voortzetten van hun familietraditie en het vasthouden aan hun identiteit belangrijk vinden, maar vooral ook omdat de Arabische openbare scholen stelselmatig ondergefinancierd zijn en vaak minder kwaliteit bieden. 87% van de Arabische Israëliërs die in de hightech, een peiler van de Israëlische economie, werken zijn afkomstig van één van de 47 scholen die staakten. Nabil en Nardin vinden dat ze als hard werkende, belasting betalende Israëlische staatsburgers het recht en de vrijheid moeten kunnen hebben om te kiezen waar hun kinderen naar school gaan, en dat hun keuze niet minder legitiem is (en dus niet minder overheidssteun verdient) dan de keuze van Joodse ouders die hun kinderen naar ultra-orthodoxe scholen sturen. Wat Nardin me vlak voordat ik hun huis verliet vertelde is veelzeggend, en zou het ministerie van onderwijs, de Israëlische regering, en ons allemaal zorgen moeten baren. Ze zei dat ze zich nog nooit zo gediscrimineerd had gevoeld als in de afgelopen maand, zelfs niet toen ze met onverbloemd racisme werd geconfronteerd bij het zoeken naar werk of woonruimte in Tel Aviv. “Het is onaangenaam en vernederend om hooghartig behandeld danwel genegeerd te worden. We tellen niet mee, niemand ziet ons staan. Tot nu toe hebben we gezwegen wanneer er sprake was van discriminatie, zelfs toen de ‘broodvermenigvuldigingskerk’ in Tabgha afgelopen juni in brand werd gestoken. Nu het puur om onze kinderen en om hun toekomst gaat, kunnen we niet langer onze mond houden.”


Saturday, August 08, 2015

Artikel in het Reformatorisch Dagblad

Het volgende artikel stond gisteren in het Reformatorisch Dagblad.

Levensgevaar voor Israël

Veel Israëliërs en Palestijnen zouden graag eens een heuse komkommertijd meemaken. Kommer, haat en nijd zijn helaas genoeg voorhanden. Drie voorbeelden van de afgelopen week. Demonstranten gingen zeer gewelddadige confrontaties aan met (grens)politieagenten bij de ontruiming, op last van het Hooggerechtshof, van twee illegale gebouwen in de nederzetting Beit-El. Een Joodse ultra-orthodoxe man stak zes deelnemers aan de Gay Pride parade in Jeruzalem neer. Shira Banki, 16, overleed later aan haar verwondingen. ‘s Nachts na die terreurdaad staken onbekenden het huis van het gezin Dawabsha, nabij Nablus (Sichem), in brand. Het leger en de veiligheidsdiensten schreven de aanslag unaniem toe aan Joodse extremisten. Ali Saad Dawabsha, 18 maanden oud, werd vermoord, zijn vader, moeder en vierjarige broertje liggen nog steeds zwaargewond in het ziekenhuis.

Heel even gaven media en de regering het extreem-rechtse geweld de aandacht en prioriteit die het verdient. Bij de rellen in Beit-El reageerden regeringsvertegenwoordigers nog halfslachtig of ronduit fout. Een Knessetlid van Het Joodse Huis stelde voor om het Hooggerechtshof met een bullldozer te lijf te gaan. De minister van onderwijs (leider van HJH) bezocht net als andere prominenten van HJH en Likud de nederzetting om zijn steun aan de kolonisten te betuigen. Beide partijen hebben immers een machtige kolonistenlobby. De minister van justitie (HJH) zei dat de wet gehandhaafd moet worden, maar stelde tegelijkertijd voor om een aparte rechtbank op te richten voor grondgeschillen op de Westoever, om het Hooggerechtshof te omzeilen. Uiteindelijk werd een ‘oplossing’ gevonden: de gebouwen werden gesloopt, maar meteen daarna werd ter compensatie de bouw van 300 woonenheden in Beit-El na een lang politiek oponthoud vrijgegeven.

De reacties op de mesaanval in Jeruzalem waren minder dubbelzinnig. Het ging dan ook slechts om één dader, die net drie weken op vrije voeten was, nadat hij in 2005 exact dezelfde misdaad had begaan. Zijn taalgebruik, voor en na zijn misdaad, vertoont niettemin grote overeenkomst met die van extreem-rechtse politici en groeperingen als Lahava. Lahava (‘vlam’) staat voor “organisatie voor het voorkomen van assimilatie in het Heilige Land”, is vooral actief in de ‘strijd’ tegen ‘gemengde relaties’, en veel van haar activisten zijn volgelingen van de vermoorde xenofobe rabbijn Kahane. Twee Lahava-aanhangers zitten vast voor brandstichting in de Joods-Arabische school in Jeruzalem. Lahava had een tegendemonstratie voor de parade georganiseerd, en haar leider reageerde op de aanslag door te zeggen dat hij “het neersteken van Joden” afkeurde. Dezelfde man zei overigens dinsdag expliciet dat hij ‘in theorie’ het in brand steken van kerken goedkeurt.

De dood van Ali Dwabsha zorgde voor ondubbelzinnige, vrijwel kamerbrede woede en walging. Dat premier Nethanyahu en president Rivlin daarbij im-, respectievelijk expliciet spraken over Joodse terreur werd hun door menigeen kwalijk genomen. Online scheldpartijen en bedreigingen aan beider adres (“Rivlin verrader”) volgden. Toch zet ik vraagtekens bij Nethanyahu’s verontwaardiging en verbazing. Het kost de binnenlandse veiligheidsdienst veel moeite om tegen Joodse terroristen dezelfde, juridisch omstreden, middelen te gebruiken als tegen Palestijnen. Het extreem-rechtse geweld – dat net als rond de moord op Rabin in 1995 vooral uit de hoek van radicale kolonisten en hun sympathisanten komt – wordt immer afgedaan als een randverschijnsel, het werk van losgeslagen individuën. Toch zijn de terroristen altijd leerlingen of kameraden van gelijkgestemden, en krijgen ze online en elders veel verbale bijval. Daarnaast gebruiken parlementariërs van Likud, HJH en andere partijen regelmatig termen uit de woordenschat van de Kahanisten. ‘Bibiʼ keurt dergelijke uitspraken soms oppervlakkig af, maar weet dat hij het zonder de extremisten nooit politiek zou redden. Niet voor niets noemt hij HJH en de ultra-orthodoxe partijen keer op keer zijn “natuurlijke coalitiegenoten”.

Eerder deze week werden de krantekoppen en de energie van de regering alweer vooral gewijd aan de veldtocht – in, nota bene, het Amerikaanse Congres – tegen de (toegegeven, betwistbare) nucleaire overeenkomst tussen Iran en het Westen. Die tot op heden totaal gefaalde campagne heeft grote schade berokkend aan de cruciale verhoudingen tussen Israël en de Verenigde Staten. Ondertussen is er onder onze eigen ogen een gevaar gegroeid dat uiteindelijk wellicht een grotere bedreiging vormt voor Israël – als staat op zich, en als een democratie met een Joodse meerderheid in het bijzonder – dan Iran, Hamas, Hezbollah, IS etc. bij elkaar.


Natuurlijk heeft in Israël, net als elders, rechts geen monopolie op verbaal en fysiek politiek geweld. En je hebt in Israël ook extreem-links. Extreem-linkse groeperingen en individuën zijn echter tot op heden eerder irritant en aanstootgevend dan gevaarlijk of levensbedreigend geweest, en hebben nooit sympathisanten in regeringskringen gehad. De bezetting en het geweld dat door de meest fanatieke voorstanders van het nederzettingenbeleid wordt begaan, gepropageerd, danwel getolereerd of goedgepraat, brengen Israël daarentegen onnoemelijke diplomatieke, economische en militaire schade toe. Een sterk Israël, binnen internationaal erkende grenzen en dus zonder (de meeste) nederzettingen, maar met brede internationale steun, onbetwiste legitimiteit, en een luisterend oor in Washington, kan nagenoeg elke buitenlandse dreiging aan. Een ‘groot’ Israël dat volkomen geïsoleerd is, met aparte rechten en wetten voor Israëliërs en Palestijnen, waar religieus geweld bijna een reële politieke optie is geworden en je al gauw als linkse landverrader wordt uitgemaakt zodra je sympathie voor Palestijnse terreurslachtoffers (of voor een Palestijnse staat) uit, en dat – met steun van Hamas, de kolonisten en hun sympathisanten, én enkele Israëlische links-extremisten – afstevent op een één-staat-voor-twee-volken realiteit, is zijn toekomst echter verre van zeker. Het is aan onze vrienden in het buitenland om hun Israëlische gesprekspartners hiervan te overtuigen, en om te laten zien dat kritiek op de nederzettingenpolitiek en andere negatieve aspecten van Israëls beleid niet haaks staat op ware vriendschap voor de Joodse staat. Integendeel.

Friday, May 08, 2015

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende artikel staat vandaag in het Friesch Dagblad.

We houden ons hart vast
We zijn benieuwd

Gisteren stond er in de Israëlische krant Haaretz een spotprent van Amos Biderman, waarin Binyamin Netanyahu – blootsvoets, vol schrammen en met gescheurde kleren – bij president Rivlin aanklopt om hem te zeggen dat hij een regeringscoalitie heeft gevormd. De Israëlische premier moest dat voor donderdag middernacht doen, anders hadden er nieuwe verkiezingen gehouden moeten worden. Slechts twee uur voor de deadline slaagde hij erin, nadat een dag eerder de minister van buitenlandse zaken en Netanyahu’s voormalige bond- en partijgenoot, Avigdor Lieberman, ontslag had genomen en bekend maakte dat zijn partij, Israël Ons Huis (7 Knessetzetels), niet tot de coalitie zou toetreden. Nadat de Likud (30 zetels) al overeenkomsten had ondertekend met Kulanu (Wij Allen, 10 zetels), en met twee ultra-orthodoxe partijen – Verenigd Thorah Jodendom (6 zetels) en Shas (7 zetels) – trad op het laatste nippertje ook de nationaal-religieuze partij Het Joodse Huis (8 zetels) toe tot de 33e regering van Israël, de vierde onder premier Netanyahu. Overigens, zoals ik eerder schreef, de namen van veel Israëlische partijen klinken in het Hebreeuws ietwat – doch niet veel – minder vreemd, of eng, dan in vertaling. Dat moet u maar van me aannemen.

Toen ‘Bibi’ afgelopen december zijn ministers van financiën en justitie (Yair Lapid en Tzippi Livni, beiden zitten nu in de oppositiebanken) ontsloeg en nieuwe verkiezingen aankondigde, zei hij tegen de Israëlische kiezers dat zij een betere, stabielere, bredere regering verdienden. Hoe je het ook wendt of keert, een kabinet dat de steun heeft van vijf partijen en 61 (van 120) parlementsleden is niet breder en kan niet stabieler of beter zijn dan een regering die in principe kon rekenen op vier partijen en 68 parlementariërs. Met die eerste gebroken verkiezingsbelofte lijkt het lot van deze regering al bezegeld voordat ze haar werk begonnen is. Dat was niet de verwachting na wat anderhalve maand geleden algemeen als een klinkende, persóónlijke verkiezingsoverwinning voor Netanyahu gold. Dat zo’n overwinning tot een op papier tamelijk vleugellam ogend kabinet heeft geleid belooft niet veel goeds.

Lange tijd hebben Netanyahu en andere Likud-prominenten erop gezinspeeld dat Yitzhak Herzog en zijn Het Zionistische Kamp (ook al weer zo’n naam, dit is de voormalige Arbeidspartij samen met De Beweging van Tzippi Livni, samen goed voor 24 zetels) zouden (moeten) deelnemen aan een regering van nationale eenheid. De kans daarop lijkt miniem. Herzog heeft goede reden te vrezen dat zijn partij in zo’n regering feitelijk als vijgeblad en buitenlands visitekaartje zou dienen voor een politiek die vooral gericht is op behoud van de status quo, inclusief Israëls nederzettingenbeleid. Daarnaast zou het voor Herzog, die zichzelf constant als alternatief voor Bibi presenteert, politieke zelfmoord zijn. Hij zal zich nu samen met Livni als leider van de oppositie moeten bewijzen, in samenwerking met Yair Lapid, de kleine linkse partij Meretz, en als het even kan ook met Ayman Odeh van de Verenigde Arabische Lijst. Bij de volgende verkiezingen zullen zij de kiezers moeten overtuigen, niet zozeer waarom men vooral niet op Bibi (of zijn opvolger) moet stemmen maar hoe wat zij voorstellen Israël welvarender, succesvoller, rechtvaardiger en veiliger zal maken.

De grootste verliezer, naast de meeste Israëlische kiezers, is ongetwijfeld Moshe Kahlon. Van de vier coalitiepartners van Likud is zijn partij de enige die niet een nauwe, sectoriale politieke agenda heeft. De twee ultra-orthodoxe partijen hebben, na  twee jaar in de politieke woestijn, bij de coalitieonderhandelingen feitelijk al hun zin gekregen: het budget voor hun scholen is verhoogd, ultra-orthodoxe mannen zullen weer als vanouds vrijwel automatisch van militaire dienstplicht worden vrijgesteld, en partijleden krijgen sleutelposities op ministeries en in commissies van de Knesset, waarbij ze controle hebben over de verdeling van miljarden shekels. Wat Het Joodse Huis, rechts-nationalistisch en met een sterke invloed van de kolonisten, ‘gekregen’ heeft is nog niet helemaal bekend, al lijkt het zeer onwaarschijnlijk dat de nederzettingen minder regeringssteun en geld zullen krijgen dan in de afgelopen jaren. Kahlon, eertijds een succesvolle en populaire Likud-minister onder Netanyahu, heeft zich vanaf de oprichting van zijn partij, Kulanu, gericht op het verkleinen van de socio-economische scheuren binnen Israëls samenleving. De verkiezingsleus van de partij stelde ronduit dat Kahlon minister van financiën moest worden. En dat is hem gelukt. Dat het hem zal lukken om in zijn taak te slagen en verregaande economische hervormingen te bewerkstelligen lijkt echter onwaarschijnlijk, gezien de minimale steun van de coalitie binnen het parlement en het feit dat zijn drie kleinere coalitiepartners financiële eisen voor hun achterban kunnen stellen die groter zijn dan hun fractiegrootte suggereert.


Het wordt weer afwachten de komende jaren (of maanden). Dat Bibi een grote politieke overwinning zo te zien niet in een stabiel, effectief kabinet heeft weten te vertalen zal Israëls vijanden in Iran en elders, die de politieke ontwikkelingen hier nauwlettend volgen, waarschijnlijk blij stemmen. Op buitenlands terrein zal het er zeker niet makkelijker op worden, en de kans is groot dat Israël zich onder Netanyahu nog verder zal isoleren. Op binnenlands terrein valt te vrezen voor minder religieus en democratisch pluralisme, en weinig economische veranderingen ten goede. Ondanks alles blijf ik hopen dat dit land en zijn bevolking een regering krijgen die ze verdienen. Dat deze regering die hoop zal verwezenlijken betwijfel ik.

Tuesday, March 17, 2015

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende artikel staat vandaag in het Friesch Dagblad.

Hopen, tegen beter weten in

Vandaag bepalen de Israëlische kiezers wie hen in de twintigste Knesset zullen vertegenwoordigen, en dus ook wie de vierendertigste regering van Israël zal vormen en leiden. Vrijwel zeker gaan elf partijen de 120 zetels in het Israëlische parlement onder elkaar verdelen, andere lijsten zijn tot nu toe niet in de opiniepeilingen voorgekomen. De meest opvallende noviteit is dat voor het eerst alle ‘Arabische partijen’ zich verenigd hebben, in de zogenaamde Gezamenlijke Lijst. Als het een beetje mee (of tegen, afhankelijk van je politieke voorkeur) zit kan die lijst de derde partij van Israël worden. Twee jaar geleden schreef ik dat de campagnes voor de vorige verkiezingen (in januari 2013) vooral door angst en onverschilligheid gekenmerkt werden. Bangmakerij speelde ook nu een belangrijke rol, maar ik heb de indruk dat de kiezers deze keer minder onverschillig zijn. Hardnekkig vertrouwen in danwel een sterke afkeer van premier Nethanyahu vormen de belangrijkste scheidslijnen tussen – grofweg – de twee helften van het electoraat .

De meeste partijen hebben helaas vooral hun best gedaan om de kiezer ervan te overtuigen vooral niet op ‘de ander’ te stemmen. Veel van de verkiezingsslogans waren een variatie op “Het is zij of wij”. Vooral de vier rechtse en ultra-rechtse partijen (Likoed, Het Joodse Huis, Israel Ons Huis, en Samen) blonken daarbij uit in het bangmaken van de kiezer. Het meest zicht- en hoorbare motto van Nethanyahu’s Likoed was “Het is wij of Links”. In zijn campagne speelden angst- en onderbuikgevoelens een centrale rol, meer nog dan bij andere partijen.

Links is hier al jaren een soort scheldwoord, en wordt in feite gebruikt voor een ieder die zich ‘ter linkerzijde’ van de Likoed bevindt. Wat de partijen in het centrum en aan de linkerzijde van het politieke spectrum in Israël gemeen hebben is dat zij het nederzettingenbeleid aan gene zijde van de Groene Lijn niet als heiligmakend zien, en direct of indirect voor een (vredes)verdrag met de Palestijnse Autoriteit pleiten. Die partijen moeten het, naast hun vaste kiezers, ditmaal vooral hebben van de vele Israëliërs die Nethanyahu na 3+6=9 jaar zat zijn. Daaronder bevinden zich Moshe Kahlon (een voormalige Likoednik en minister onder Bibi) en zijn nieuwe partij “Wij Allen” (in het Hebreeuws klinken partijnamen ietsje minder vreemd dan in vertaling), die in de peilingen op acht tot tien zetels staat en waarschijnlijk een sleutelrol zal gaan vervullen bij het vormen van wat voor coalitie dan ook.

Voor rechts lijkt de status quo – met een oneindig voortdurend conflict met de Palestijnen en de meeste Arabische/Islamitische landen; met Israël zonder internationaal erkende grenzen; met zeer gespannen en soms ronduit vijandige verhoudingen met Europa en de Verenigde Staten; met een steeds groeiende kloof tussen arm en rijk; met elke paar jaar een oorlog met Hamas of Hezbollah; met Iran als dreiging die al het voorgaande rechtvaardigt – acceptabel dan wel een zegen te zijn. Wie durft te suggereren dat er met de Palestijnse Autoriteit gepraat kan/moet worden, dat een Palestijnse staat onontkoombaar of zelfs wenselijk is, dat niet de hele wereld tegen ons is (maar wel tegen de bezetting), dat we niet zonder Amerikaanse en Europese sympathie en steun kunnen, dat juist onder ‘Bibi’ Iran meer voortgang dan ooit richting ‘de bom’ heeft geboekt, en dat Israël zonder internationaal erkende grenzen en een Palestijnse buurstaat nooit een min of meer normaal en werkelijk Joods én democratisch land zal worden, wordt door de ultra-nationalistische partijen vrijwel automatisch als verrader weggezet. Een nieuw-religieuze en tamelijk populaire zanger gebruikte zelfs de term ‘linkse Satan’ (een duivel die volgens hem met liefde bestreden moet worden, dat dan weer wel).

Het ging ook bij deze verkiezingen zelden of nooit rechtstreeks om binnenlandse onderwerpen. Ik heb bijvoorbeeld nauwelijks iemand horen praten over het onderwijs, waarin veel verbeterd en geïnvesteerd kan en moet worden. Ook vormden de gapende kloof tussen haves en have-nots, gezondheid en verpleging, rechtsstaat en democratie, ethnische polarisatie en racisme voor de meeste partijen slechts nevenonderwerpen, geen issues waarmee ze kiezers probeerden te overtuigen toch vooral op hen te stemmen.

Het wordt spannend vandaag. Het vormen van een levensvatbare coalitie, die belangrijke beslissingen zal moeten nemen (of zal uitstellen, als Nethanyahu weer wint) op economisch, militair, politiek en diplomatiek gebied, zal opnieuw niet makkelijk zijn. In de 23 jaar dat ik hier woon heb ik, als ik die van deze week alvast meetel, acht verkiezingen meegemaakt. De eerste daarvan waren in 1992, en ik kan me nog goed het gevoel van hoop en optimisme herinneren dat het land in het begin van de jaren negentig in zijn greep had. Van die hoop is weinig meer over, mede dankzij Hamas, Hezbollah, Al-Qaida, IS, en Iran. Twee jaar geleden schreef ik na de verkiezingsuitslag dat de kans dat dingen ten goede zouden veranderen microscopisch klein was, maar dat we bleven hopen. Om dat eerste te zeggen hoefde je geen profeet te zijn. Om te hopen moet je tegenwoordig haast streng gelovig ofwel hopeloos naïef zijn. Bij bijna elke verkiezingsronde dacht ik: “Beroerder (corrupter, ingewikkelder, uitzichtlozer, etc.) kan het haast niet worden!”, om me dan toch weer onaangenaam te laten verrassen. Desondanks hoop ik ook deze keer, wellicht tegen beter weten in, dat de dingen de komende twee, drie, of vier jaar anders, d.w.z. beter, zullen gaan.


Artikel in het Reformatorisch Dagblad

Het volgende artikel stond gisteren in het Reformatorisch Dagblad.


Wil de ware Zionist opstaan?

Als je ziet hoe Awi Cohen, bestuurslid van Likoed Nederland, Israël als immigratieland aanprijst (20 februari j.l. in deze krant), zou je je haast afvragen waarom hij zelf nog in Nederland woont. In werkelijkheid is het Heilige Land helaas al lang niet meer zo’n aantrekkelijk land voor immigranten. Het lijkt er sterk op dat veel nieuwe immigranten vandaag de dag ervoor kozen om hun geboorteland achter te laten of te ontvluchten, en niet de bewuste, vrije, zionistische  keuze hebben gemaakt om, net als ik twintig jaar geleden deed, juist hier een nieuw leven op te bouwen. Een paar weken geleden zond één van de nieuwszenders een serie reportages uit over nieuwe immigranten die na een aantal jaren nog steeds niet hun plaats in hun nieuwe vaderland hadden gevonden. Daaronder een Frans gezin met drie kinderen waarvan de ouders na twee drie of jaar nog nauwelijks een woord Hebreeuws spraken en twee van de tienerzoons er serieus over dachten om terug naar Frankrijk te gaan. Vooral in het noorden en zuiden van het land hebben veel mensen het financieel zeer moeilijk. Hoge prijzen, vooral voor woonruimte, en lage salarissen zijn een constant onderwerp van gesprek onder Israëliërs en in de media.

Het is tekenend dat veel woordvoerders van Joodse gemeenschappen de oproep van de Israëlische premier aan de Joden van Europa, om na de islamistische terreurgolf toch vooral naar het enige Joodse thuisland ter wereld te komen, openlijk afkeurden. De opperrabijn van Denemarken, behorend tot een prominente Deens-Joodse familie die al ruim drie eeuwen in dat land woont, zei het heel duidelijk: “Mensen die vanuit Denemarken naar Israël emigreren doen dat omdat ze van Israël houden, vanwege Zionisme, maar niet vanwege terreur.”  En hier kun je zien waar het in feite om draait, ook bij de verkiezingen voor de twintigste Knesset die morgen plaatsvinden: de definitie van Zionisme, en Zionist.

Rechtse Israëliërs (vertegenwoordigd door de Likoed van premier Nethanyahu, en door partijen met namen als Het Joodse Huis, Israël Ons Huis, en Samen) zijn ervan overtuigd dat vrijwel de hele wereld Joden in het algemeen en Israël in het bijzonder haat, om het even wat we doen. Voor hen is de Westoever een integraal deel van Israël, en wordt eenieder die de nederzettingen als illegaal of onwenselijk beschouwt vrijwel automatisch als antisemiet of (als hij/zij Joods is) als linkse anti-Zionist of zelfhater weggezet. 'Links' is bijna een scheldwoord geworden, en het woord is veelvuldig in de verkiezingscampagne gebruikt om kiezers angst aan te jagen. "Het is wij of Links" was de belangrijkste verkiezingsleus van Likoed.

Volgens de partijen in het centrum en aan de linkerkant van Israëls politieke spectrum is het belangrijkste doel van het zionisme (een democratische staat met een Joodse meerderheid en Joodse soevereiniteit) in 1948 verwezenlijkt. De meeste politici van die partijen zijn ervan overtuigd dat de bezetting (de nederzettingen en Israëls controle over de Westoever) dat doel bedreigt: zonder grens tussen Israël en de Palestijnse gebieden wordt de huidige staat ofwel één staat voor beide volken – waarbij binnen afzienbare tijd de Joden een minderheid zullen vormen – ofwel een ondemocratisch land waarin Joden Palestijnen onderdrukken. In hun ogen moeten al onze energie en al het beschikbare geld bovenal of uitsluitend binnen de Groene Lijn (d.w.z. in Israël zelf, niet in 'de gebieden') worden geïnvesteerd. Ook zal volgens die partijen (en het moge duidelijk zijn dat ik hun mening in veel opzichten deel) een Israël met vastomlijnde en internationaal erkende grenzen leiden tot betere verhoudingen met de Palestijnen (wie weet zelfs tot een soort vrede) en met de rest van de wereld. Zonder de kosten van de bezetting en met meer internationale samenwerking en steun zal de economie van dit land sterk groeien en kunnen veel problemen in het onderwijs, de infrastructuur, en de socio-economische verhoudingen tussen de verschillende delen van de Israëlische maatschappij worden opgelost. De linkse en centrale partijen durven te dromen van een Joodse staat die minder spartaans is, die goede verhoudingen heeft met de hele internationale gemeenschap (althans het beschaafde deel daarvan, we zijn niet hopeloos naïef, en weten dat we altijd een sterk leger nodig zullen hebben), en waar het voor iedereen – en dus ook voor nieuwe immigranten – beter toeven is.

Wat er morgen ook gebeurt, en wie de nieuwe (of oud-nieuwe) premier zal zijn, ik hoop dat Israël snel weer een land wordt waar Joden vrij en bewust voor kiezen, als thuisland of als mogelijk immigratieland. En dan niet omdat elders het leven voor Joden moeilijk danwel onmogelijk wordt gemaakt, maar omdat het hier gewoon een prachtig mooi land is, waar we werkelijk om elkaar en om ‘de ander’ geven. Angst en bangmakerij mogen geen factor zijn, niet bij het trekken van stemmen en niet bij het aantrekken van potentiële immigranten. Israël moet (weer) veel meer worden dan enkel en alleen een vluchthaven voor vervolgde Joden. We moeten (weer) leren om niet alleen immigranten hier te halen, maar om hen ook genoeg te bieden om hen hier te laten blijven. Pas dan wordt de Joodse staat (weer) een licht onder de volkeren.