Wednesday, November 30, 2016

Artikel in het Friesch Dagblad

Ook het volgende artikel stond deze week in het Friesch Dagblad. 

Impressies uit een nasmeulende stad

Terwijl ik dit artikel schrijf (zondagmiddag, een werkdag in Israël), lijkt alles weer heel gewoon in en om Haifa. Geen extra nieuwsuitzendingen, bijna alle geëvacueerde gezinnen zijn weer thuis. Vanavond ga ik met mijn echtgenote naar een zangavond die eigenlijk donderdag had moeten plaatsvinden maar 'vanwege de omstandigheden' werd uitgesteld. Gisteren woonde ik een (prachtig) concert van het Haifa Symfonieorkest bij op de Franse Carmel, zonder dat iemand de branden noemde. Als je her en der geen zwakgeblakerde bomen en huizen ziet en de brandlucht ruikt, zou je haast niet weten wat er de afgelopen dagen gebeurd is. Gelukkig zijn er deze keer – in tegenstelling tot zes jaar geleden, toen 44 mensen omkwamen bij de enorme bosbrand in de buurt van Haifa – geen doden gevallen bij de branden. Met hulp uit Turkije, Griekenland, de VS, maar ook bijvoorbeeld Oekraїne en Rusland, is men er in geslaagd het vuur onder controle te krijgen. Bijna 13,000 hectare grond is er in Israël en op de Westoever verbrand, waarvan ongeveer een kwart in Haifa, het zwaarst getroffen bebouwde gebied.  In de stad zijn tussen 400 en 550 huizen volledig verwoest of onbewoonbaar geworden (in 2010 ging het om 74 huizen en 5,000 hectare), waardoor op dit moment 1,700 inwoners van Haifa elders onderdak moeten krijgen. Dat laatste geldt voor nog meer families in andere delen van Israël.

Onze 'leiders' lieten zich weer eens van hun beste kans zien. Eén van de eerste reacties van de Minister van Onderwijs, Naftali Bennett (Het Joodse Huis), via Twitter of Facebook, was tekenend: "Alleen zij aan wie het Land niet toebehoort kunnen het in brand steken". Iedereen wist over wie hij het had: Arabieren. Hij 'vergat' dat er zich zowel onder de slachtoffers als onder de reddingswerkers vele Arabieren bevonden. Haifa is nu eenmaal een 'gemixte' stad. Je zult maar een Arabische Israëliër zijn en jouw Minister van Onderwijs zo over jou horen spreken. Andere ministers stelden voor dat de 'daders' (het is inmiddels duidelijk dat in ieder geval een deel van de branden is aangestoken) hun staatsburgerschap ontnomen moet worden, en dat – net als bij 'andere terroristen' – hun huizen verwoest moeten worden. Volgens die logica zouden de Joodse terroristen die het huis van de familie Dawabsheh vorig jaar juli in brand staken en daarbij baby Ali en zijn ouders vermoordden allang zowel hun paspoort als hun huis kwijt moeten zijn. Niet dus, en u kunt raden waarom. Je zou Bennets logica ook toe kunnen passen op de kolonisten die olijfboomgaarden van Palestijnen – met vuur en andere middelen – vernielen: geven deze Israëliërs hierdoor toe dat het Land hun niet toebehoort?

Bennetts gedrag was typerend voor vrijwel alle regeringsvertegenwoordigers. Hijzelf en Lieberman zeiden dat er maar één mogelijk antwoord is op 'deze terreur': meer nederzettingen. Tja, wat moet je daar op zeggen? Premier Nethanyahu – van wie je toch een soort vader-des-vaderlandse rol zou mogen verwachten – heeft het alleen over terroristen en vergelding gehad, je hoorde hem niet of nauwelijks over verzoening, de slachtoffers, hulpverlening, etc. Zou het kunnen dat hij de aandacht wil afleiden van het feit dat hij na de ramp in 2010 had beloofd dat Israël klaar zou zijn voor dit soort rampen en dat we in de toekomst in dit soort scenarios geen buitenlandse hulp meer nodig zouden hebben? Niet voor niets noemden cynici Bibi al een politieke pyromaan. Slechts één minister sprak eerst en vooral over het helpen van de slachtoffers. Minister van Financiën Moshe Kahlon – zelf inwoner van Haifa en één van de weinige bedachtzame, weliswaar ook deels populistische maar niet extreem-rechtse leden van het cabinet – beloofde hun snelle hulp en een spoedige afhandeling van de verzekeringsclaims. Laten we hopen dat hij zijn woorden waar kan maken. De kans dat de branden als terreurdaden erkend zullen worden is overigens klein: dat zou namelijk betekenen dat de staat, en niet de verzekeringsmaatschappijen, een belangrijk deel van de financiële vergoeding op zich zal moeten nemen.

En dan de 'gewone' Israëliërs. Allereerst de vele hulpverleners (brandweer, politie, medisch personeel) die dagenlang haast bovenmenselijke inspanningen hebben verleend. De Israëlische bevolking – Joods, Arabisch, en anderszins – heeft daarnaast weer eens laten zien dat het in tijden van crisis weet wat solidariteit, liefdadigheid en werkelijk helpen betekent. De scholen, de synagogue en het gemeenschapscentrum van Leo Baeck, waar ik werk (om slechts één voorbeeld vanuit de civil society te noemen), mobiliseerden vrijwilligers om geëvacueerde gezinnen op te vangen en van basisbenodigdheden te voorzien. Iedereen nodigde vrienden, familieleden en volkomen vreemden uit om te komen logeren of op zijn minst te komen eten. Via Whatsapp en Facebook hoorden we wie waar hulp nodig had.

De hulp die onmiddelijk door naburige landen werd aangeboden en gegeven was ook hartverwarmend. Zelf was ik het meest ontroerd toen ik een telefoontje kreeg van mijn vriend en collega uit Ramallah, met wie ik aan een project voor onze twee scholen samenwerk. Hij heeft genoeg zorgen en problemen, maar nam toch even de moeite om te vragen of met mij en mijn gezin alles in orde was, en of hij ons ergens mee kon helpen. Uit Ramallah kwam ook een team van brandweermannen helpen bij de strijd tegen het vuur. Hun reacties, en de reacties van hun Israëlische collega's en de burgers die hen kwamen bedanken en hun eten en drinken gaven, behoren eveneens tot het soort dingen dat de burger letterlijk weer moed geeft. En hoop, dat het anders – beter – kan. Dat kunnen de fanatici (Bennett tegen de Palestijnen: "Sticht geen brand bij ons en stuur ons geen brandwagens") niet van ons afnemen.

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende artikel stond de afgelopen week in het Friesch Dagblad. De titel is door de redactie gekozen. Normaal gesproken gebruik ik op mijn blog mijn eigen werktitel aan, ik zie de uiteindelijke gedrukte versie zelf niet. Deze keer kreeg ik voor het eerst een Whatsapp met de opmaak doorgestuurd, dus kan ik de uiteindelijke titel gebruiken.

Is Trump goed voor Israel en de Joden?

In de laatste aflevering van de televisieserie Seinfeld beschrijft Dr. Wilcox de reactie van George Costanza, nadat die te horen kreeg dat zijn verloofde – met wie hij feitelijk niet echt wilde trouwen – was overleden na het likken van giftige enveloppen, als “ingetogen gejubel”. Dit lijkt me een goede beschrijving van de reacties in officiële kringen in Jeruzalem nadat Donald Trump eerder deze maand als opvolger van Barack Obama was gekozen. In tegenstelling tot veel Europese en andere Westerse regeringsleiders, hadden Binyamin Nethanyahu en zijn religieuze en ultranationalistische coalitiegenoten zitten hopen op een Republikeinse overwinning. Jarenlang werd Barack Obama door veel Israëliërs als een – of zelfs dé – vijand gezien, vooral omdat hij en zijn vertegenwoordigers zich zo nu en dan, meestal heel zachtjes, durfden uit te spreken tegen Israëls nederzettingenbeleid. De dag na Trumps verkiezingsoverwinning nam de gemeente Jeruzalem dan ook de gelegenheid te baat om de bouw aan te kondigen van nieuwe huizen in Oost-Jeruzalem, dat door vrijwel alle andere landen ter wereld als Palestijns dan wel door Israël bezet gebied wordt beschouwd.

Het is niet zo verwonderlijk dat Nethanyahu en de zijnen zo tevreden zijn (uitgesproken of stilzwijgend), met de overwinning van Trump én met de nederlaag van de partij van Barack Obama. Waar de regering Obama nog wel eens haar stem verhief tegen Israëls voortdurende bouwwerkzaamheden en investeringen in de gebieden aan gene zijde van de Groene Lijn, lijkt het onwaarschijnlijk dat Trump Bibi en zijn ultranationalisten een strobreed in de weg zal leggen. De kolonisten en hun lobbyisten gaan er volgens diverse bronnen van uit dat de nieuwe Amerikaanse regering “een decennialange oppositie” tegen het bouwen in bezet gebied zal beëindigen, en Israël groen licht zal geven om aanzienlijke delen van de Westoever te annexeren. Niet zomaar prees Minister van Onderwijs Naftali Bennett (van de “Het Joodse Huis” partij) “het ter ziele gaan van de twee-statenoplossing”. Daarnaast heeft Trump beloofd de Amerikaanse ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem te zullen verplaatsen, en het atoomverdrag met Iran naar de prullenmand te verwijzen. Of al die beloften en verwachtingen ook vervuld zullen worden is voorlopig de vraag, maar ze zijn op zijn minst hoopgevend voor wie de Groot-Israël gedachte is toegedaan. Wanneer ‘linkse’ (een scheldwoord in Israël, gebruikt voor ongeveer alles wat niet streng religieus en/of pro-bezetting is) of andere kritische commentatoren wijzen op de soms ronduit foute supporters of ‘adviseurs’ van Donald Trump, haalt men in Israël en in pro-Israëlische kringen in de Verenigde Staten zijn schouders op. Meestal accepteert men zijn ‘verdediging’: “Ik een (vriend van) antisemiet(en)? Mijn dochter, schoonzoon, en (drie van de acht) kleinkinderen zijn Joods!”. Zelfs wanneer de geur van antisemitisme onder Trumps kiezers en raadslieden onontkenbaar sterk is, is dat voor veel Israëliërs en vermeende Israël-supporters geen reden om zijn koshere bedoelingen in twijfel te trekken.

Er is nog een reden waarom Bibi en Donald het zeer goed met elkaar kunnen vinden. Ze hebben simpelweg heel veel gemeen. Beiden behoren ze tot de bonte verzameling van veelal (ultra)rechts-populistische, soms griezelig fanatiek-nationalistische bewegingen die in diverse democratieën over de hele wereld de toon van het politieke debat bepalen. Nethanyahu is in dat gezelschap een oude rot, Trump is sinds kort hun grote held.  Marie Le Pen, Geert Wilders, Vladimir Poetin, Tayyip Erdogan, maar ook bijvoorbeeld de Indiase premier Narendra Modi en de Britse Minister van Buitenlandse Zaken Boris Johnson kunnen tot die stroming worden gerekend. Er zijn enorme verschillen tussen de verschillende landen en leiders, maar als er iets is wat hen verenigt  dan is het haat en angstzaaien tegenover alles wat vreemd, anders, liberaal, en links is. Voeg daar, behalve in het geval van Turkije, ook nog moslimhaat en –angst aan toe. Hoe absurd het ook moge lijken, het is niet toevallig dat Nethanyahu nu juist toenadering tot Turkije en Rusland (bondgenoten van Israëls grootste vijanden) zoekt, terwijl de banden met Obama’s Amerika jarenlang verslechterden of bewust verwaarloosd werden. Deze internationale parias spreken dezelfde spierballentaal, vol nationale trots en minachting voor andersdenkenden en voor ‘zwakkere’ tegenstanders.

En het angstaanjagen van de populisten werkt, net zo goed als terreur vruchten afwerpt. Die twee elementen kunnen niet zonder elkaar, ze voeden elkaar over en weer. Terwijl ik dit schrijf staan hele wijken van Haifa in brand. Al een paar dagen wordt Israël geteisterd door grote branden, en door een hevige wind die die branden nog verder aanwakkert. Veel van de branden zijn blijkbaar aangestoken, hoogstwaarschijnlijk vanuit 'nationalistische' (oftewel terroristische) motieven. Naftali Bennett zei meteen dat “alleen zij aan wie het Land niet toebehoort (lees: Arabieren) het in brand kunnen steken”. Nadat ook mijn school ontruimd was, was ik was al op weg naar mijn auto toen mijn vrouw me via Whatsapp het advies gaf om te wachten: de kinderen waren veilig bij mijn schoonmoeder aangekomen, zij was zelf veilig op haar school, en op de wegen naar huis zat het verkeer voorlopig hopeloos vast. Ironisch genoeg was onze dochter, die met school een reis naar Polen maakt, het veiligst van ons allemaal: zij was op dat moment juist op bezoek in het voormalige vernietigings- en concentratiekamp Majdanek, waar haar overgrootvader (Jacob Rozenblum, 39 jaar oud, transport 51 vanuit Drancy, naast Parijs, 6 maart 1943) vermoord is. Ik besloot dus te blijven werken, en ging terug naar de lerarenkamer. Een lerares Arabisch kwam vlak naast me zitten om het nieuws te volgen. Ze ging tekeer tegen de "Bney dodim" ('neven', een minachtende term voor Arabieren). Toen ik haar vroeg waarom ze zo moest generaliseren, en zei dat er zowel Arabieren als Joden op dat moment geëvavueerd werden of voor één van de vele hulpdiensten aan het werk waren (Haifa heeft een aanzienlijke Arabische minderheid), zei ze dat iedereen die haar huis in brand steekt wat haar betreft terrorist is, en dat ze geen geduld had voor nuances of voor weekhartige hypocrieten (zoals mijzelf, blijkbaar). Zulke uitspraken zijn uitzonderlijk onder mijn medeleraren, maar ik moest onwillekeurig denken aan de dag van de Knessetverkiezingen, vorig jaar maart, toen Nethanyahu een video de wereld instuurde waarin hij de Joodse kiezers opriep te gaan stemmen, de Arabieren waren immers “met bussenvol” op weg naar de stembus. Generaliseren, racisme, simplisme, en angst zaaien, dat zijn de wapens van de ware populist, of hij nu in Jeruzalem, Ankara, New York City (binnenkort Washington, DC) of Den Haag zetelt. En als die angst ook nog eens verder wordt aangewakkerd – of bevestigd – door islamistische of andere terreur, dan is het effect des te sterker.


En nu de hamvraag, die me de laatste twee weken door vele binnen- en buitenlandse vrienden en kennissen gesteld is: zal Donald John Trump de "meest uitgesproken pro-Israël President" zijn die er ooit geweest is, zoals we veel van zijn supporters vol overtuiging hebben horen en zien verkondigen? Anders gezegd, om een slogan te parafraseren waar Bibi jaren geleden gebruik van maakte, is Trump goed voor de Joden? Hangt er een beetje van af over welk Israël en welke Joden je het hebt, en welk Israël je wilt steunen. Voor de kolonisten, voor hen die Israël nog religieuzer, nationalistischer, en geïsoleerder willen maken, en voor hen die een één-staat-oplossing nastreven (alleen voor Joden danwel alleen voor Palestijnen: Hamas enerzijds en Bibi’s Likud, Het Joodse Huis en andere rechtse Israëlische partijen anderzijds hebben meer gemeen dan ze zelf zullen toegeven) lijkt de zich langzaam maar zeker vormende regering Trump een hemelse zegen te zijn. Tenzij Trump voor grote verrassingen gaat zorgen (hij suggereerde zowaar dat zijn Joodse schoonzoon wellicht Joden en Palestijnen dichter tot elkaar zou kunnen brengen, nee serieus!), heeft het er alles van weg dat hij de regering in Jeruzalem ongemoeid aan een één-staatoplossing verder zal laten bouwen. Ik heb dan ook het donkerbruine vermoeden dat Naftali Bennett wel eens gelijk zou kunnen krijgen, en dat Donald Trump direkt of indirekt de genadeslag zal toebrengen aan een vreedzame, onderhandelde oplossing van het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Als dat gebeurt, en als Europese en andere sponsors en vrienden van Israëlische én Palestijnse mensenrechten- en vredesgroeperingen en andere links-liberale initiatieven hun belangstelling en hoop verliezen en die groeperingen aan hun lot overlaten, dan ben ik bang dat Israël als Joodse maar inclusieve, democratische en pluralistische staat uiteindelijk ten dode opgeschreven zal zijn. Is alle hoop dus verloren? Zo ver wil ik niet gaan. Zoals ik in eerdere artikelen schreef, ben ik ervan overtuigd dat wanneer positieve, redelijke, proactieve partijen en individuën (links, liberaal en gematigd conservatief, allesbehalve populisten) in hun eigen landen en wereldwijd een duidelijke, eensgezinde boodschap opstellen en uitdragen, de angsten en frustraties van hun potentiële kiezers serieus nemen, én hun krachten tegenover de negatieve en destructieve krachten van het (extreem)rechtse, ultranationalistische populisme bundelen, dan kan het gezonde verstand wel degelijk in de politiek terugkeren, en is alles mogelijk, maar dan in positieve zin. Maar het is vijf voor twaalf. En niet alleen in Jeruzalem.

Tuesday, November 15, 2016

Joep Bertrams on Erdogan's Fight against Freedom of the Press

I found this cartoon on the website of Joep Bertrams.




Joep Bertrams on Trump's Election and the European Extreme Right

I found this cartoon on the website of Joep Bertrams.

"Having the wind in their sails..."

Monday, November 14, 2016

Nostra Culpa

I translated - with some minor changes - the article (about Donald Trump's election to the Presidency) that appears in the previous posting into English and published it on my blog on The Times of Israel.

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende artikel stond afgelopen vrijdag in het Friesch Dagblad.

Dikke bult

Woensdagmorgen stuurde mijn echtgenote me een ‘grap’ via Whatsapp: wat is erger, 9/11 of 11/9? Hoe cynisch, of zelfs ziek, die zin ook moge zijn, je kunt niet ontkennen dat de twee data op de één of andere manier met elkaar verbonden zijn. 9 november 2016, de dag na de verkiezing van Donald Trump tot President van de Verenigde Staten, kan niet begrepen worden zonder op de een of andere manier te verwijzen naar de aanslagen op 11 september 2001. De laatste vijftien jaar is het rechtse, niet zelden rechts-extremistische, populisme waarvan Donald Trump wereldwijd de meest extreme exponent is, in veel westerse landen de meest invloedrijke politieke stroming geworden: niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in landen als Frankrijk, Duitsland, Israël, Groot Britannië, Denemarken, en Nederland. Die trend kan niet los worden gezien van die dinsdag in september 2001, of van de oorlogen in Afghanistan, Irak, en Syrië, en van de vluchtelingenproblematiek en andere globale problemen die een uitvloeisel zijn van wat vijftien jaar geleden in New York City, Washington DC en Stonycreek Township, Pennsylvania gebeurde.

De wereld lijkt geschokt en ontdaan te zijn. Ik bevind me momenteel in het Lucan Centre, een klein presbyteriaans ontmoetingscentrum in Dublin. Samen met één van de rabbijnen en vier voormalige leerlingen van mijn school neem ik deel aan Space to Breathe, een vijfdaags internationaal en interreligieus seminar voor Ierse, Palestijnse en Israëlisch-Joodse jongeren, georganiseerd door Julian Hamilton, de methodistische pastor van Trinity College. Ik heb de indruk dat de verbijstering hier nog groter is dan waar dan ook. De gevolgen van Trumps verkiezing voor het Palestijns-Israëlische conflict zullen waarschijnlijk groot zijn. Met zijn bewondering voor Vladimir Poetin en zijn innige banden met Binyamin Nethanyahu lijkt het onwaarschijnlijk dat Donald Trump enige moeite zal doen om de regionale status quo (waarbinnen de Russische militaire invloed en het Israëlische nederzettingenbeleid een centrale rol spelen ) te veranderen. Er zijn veel andere verstjeerders, en ook Obama draagt door zijn gebrek aan daadkracht en aan een doelbewust beleid in de regio verantwoordelijkheid voor de huidige situatie in het Midden-Oosten, maar onder Trump’s America First benadering zal de rol van alle versjteerders alleen nog maar sterker worden. Zelf ben ik niet blij of tevreden met de keuze van het Amerikaanse volk, maar geschokt of wanhopig ben ik evenmin. Ik denk dat die keuze – zoals veel tegenslagen – uiteindelijk ook hoop en mogelijkheden kan bieden.

Zoals ik drie maanden geleden schreef, ben ik ervan overtuigd dat als Hillary Clinton – samen met haar supporters en alle liberale én conservatieve, redelijke tegenstanders van Donald Trump – een minder negatieve en duidelijk proactieve campagne had gevoerd, we nu onszelf vergenoegd op de schouders zouden kloppen, met genoegen de woorden ‘President Clinton’ uit zouden spreken, en ervan overtuigd zouden zijn dat het goede het kwaad overwonnen heeft, en dat alles in orde is. Eigenwijs als zij en haar adviseurs zijn, en misschien ook wel omdat ze het Friesch Dagblad (of de Times of Israel, waar ik een Engelse vertaling van dat artikel publiceerde) niet leest, koos ze er bewust voor om te proberen het politieke spel volgens de regels van Donald John Trump te spelen. Daarin en daardoor was ze van meet af aan volkomen kansloos. En hetzelfde geldt voor alle landen waar rechtse populisten de politieke agenda bepalen. Rutte en Samsom zullen nooit op de legitieme angsten, de frustraties en de onderbuikgevoelens van de kiezers kunnen inspelen zoals Geert Wilders dat doet. Sarcozy en Hollande zullen nooit in staat zijn om het simplisme en fanatisme van Marie Le Pen te evenaren. Links populisme is overigens net zo walgelijk en onredelijk als de rechtse variant, en dus geen geloofwaardig alternatief. Aan de andere kant, wat niet-populistische politici in tegenstelling tot populisten wél kunnen bieden is een positieve boodschap voor hun kiezers: niet zeggen hoe de dingen niet moeten en kunnen, maar denken en uitdragen wat voor wereld zij voor ogen hebben, en hoe zij denken de woede en gevoelens van machteloosheid bij veel mensen weg te kunnen nemen. Tot nu toe is hun dat niet gelukt, waardoor de verkiezing van Trump een beetje een kwestie is van eigen schuld dikke bult is. Mede om die reden zijn de huidige anti-Trump demonstraties en slogans als ‘Trump is niet mijn President’ ondemocratisch en contraproductief.

Bulten genezen echter, en misschien was die verkiezing nu juist nodig om de niet-populistische politici, activisten en kiezers eindelijk eens wakker te schudden. Als zij hun krachten – binnen hun eigen landen en politieke systemen maar ook internationaal – bundelen, ons ervan weten te overtuigen dat positieve, actieve veranderingen noodzakelijk en mogelijk zijn, en een nieuwe generatie van charismatische, gedreven politieke leiders kunnen aantrekken en opbouwen, dan zal de negatieve, destructieve boodschap van Trump en de zijnen geen kans meer maken. Denken dat kiezers te dom zijn om zo’n positieve mare op waarde te schatten, en dat we dus ook maar onze toevlucht tot populisme moeten zoeken, is arrogant, en zal de tegenstanders van populistische politici in de afzienbare toekomst, en waarschijnlijk nog lang daarna, tot machteloze oppositie veroordelen.


Friday, September 30, 2016

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende artikel stond gisteren in het Friesch Dagblad. Aangezien ik dacht dat de krant 's middags uitkwam, schreef ik het stuk woensdagmorgen razendsnel (minder dan anderhalf uur, ik moest 's morgens lesgeven) en heb ik het niet nog een keer doorgelezen, maar nu ik het teruglees ben ik er zeker niet ontevreden over. 

Shimon Peres, 1923-2016


Eén van mijn scherpste herinneringen uit de 24 jaar dat ik in Israël woon en leef, is de verkiezingsnacht van mei 1996. We gingen rond middernacht naar bed terwijl de voorlopige uitslagen op een overwinning van Shimon Peres wezen, en 's morgens werden we wakker met premier Nethanyahu, die met een miniem verschil (één procent, minder dan 30.000 stemmen) had gewonnen. De Joodse terrorist Yigal Amir en de Palestijnse terroristen waren er – via de moord op Yitzhak Rabin en een doelgerichte terreurcampagne daarvoor en daarna – in geslaagd om alle realistische hoop op vrede de wereld uit te helpen. In de twee decennia die sindsdien zijn verstreken – waarvan de helft onder Nethanyahu – is er voor Israëliërs en Palestijnen nauwelijks iets ten goede veranderd. Shimon Peres' image onderging daarentegen een interessante metamorfose: van een eeuwige politieke loser werd hij de vrijwel alom gewaardeerde grand old man van de Israëlische politiek, en de meest populaire president  ooit. Bovenal bleef hij één van de weinige geloofwaardige symbolen van het positieve denken ten aanzien van een mogelijke vreedzame uitweg uit 'het' conflict. Vanmorgen moest ik denken aan die nacht in mei, twintig jaar geleden. Toen we gisteravond naar bed gingen, en Shimon Peres nog voor zijn leven vocht, wisten we al dat er een grote kans was dat we bij het opstaan zouden lezen en horen dat hij was overleden. We werden niet verrast.

Shimon Peres' leven omspande de hele geschiedenis van Israël. Hij was indirect of rechtstreeks betrokken bij zo goed als alle belangrijke momenten en beslissingen in de bijna zeventig jaar dat dit land bestaat. Geboren in Polen (nu een deel van Wit-Rusland) in 1923, kwam Szymon Perski als jonge tiener naar Palestina, dat destijds onder Brits mandaatsbestuur viel. Net als veel nieuwe immigranten (ik heb zelf ook een Hebreeuwse naam, naast mijn Nederlandse) adopteerde hij een meer lokale versie van zijn geboortenaam. Nadat Peres leidersrollen op zich nam in de socialistische jeugdbeweging, in een kibbutz, en in de belangrijkste partij van die jaren, Mapai, maakte de leider van Mapai, David Ben Gurion, die kort daarna Israëls eerste premier zou worden,  hem feitelijk tot zijn rechterhand. Alhoewel hij zelf nooit daadwerkelijk een uniform of een wapen droeg, speelde Shimon Peres een centrale rol in de opbouw van het Israëlische leger. Zo was hij verantwoordelijk voor wapenaankopen voor en tijdens Israëls Onafhankelijkheidsoorlog (1948), en werd hij op zijn 29e (!) directeur-generaal van het ministerie van defensie. In de jaren vijftig was Frankrijk Israëls belangrijkste bondgenoot. Naast strategische belangen (vooral de band tussen Israëls aartsvijand Egypte en Frankrijks belangrijkste tegenstander in die jaren, de Algerijnse onafhankelijkheidsbeweging FLN) waren ook Peres' charme en persoonlijke contacten met Franse regeringsvertegenwoordigers daar debet aan. Aan die contacten heeft Israël te danken dat het in de jaren zestig over één van de modernste gevechtsvliegtuigen – de Mirage – kon beschikken, en dat het land – volgens alle deskundigen – nucleaire afschrikking kon ontwikkelen. Peres' vele rechtse tegenstanders vergeten nog al eens dat Israëls militaire suprematie voor een belangrijk deel nu juist aan hem te danken is.

Helaas geldt hetzelfde ook voor het nederzettingenbeleid. Shimon Peres is ook daar mede verantwoordelijk voor, hij steunde dat beleid aanvankelijk enthousiast. Pas na een jaar of tien begon hij Israëls aanwezigheid op de Westoever en in Gaza als een obstakel voor een toekomstige vrede met de Palestijnen en de Arabische wereld te zien. Uiteindelijk zou hij hét symbool en Israëls belangrijkste pleitbezorger worden van de ideeën 'Land voor vrede' en de 'tweestatenoplossing'. Hopenlijk kunnen die twee concepten – verre van ideaal maar nog altijd beter dan om het even welk alternatief, of dat nou een binationale staat of een staat zonder Joden of Palestijnen is – deze week niet samen met Shimon Peres ten grave worden gedragen.

Eén van de leerlingen op mijn school omschreef het vanmorgen treffend: "De opa van het land is gestorven". Met Peres is het eerste deel van de geschiedenis van dit jonge land afgesloten. De generatie van de founding fathers is niet meer, althans, niemand van hen speelt nog enige rol van publieke betekenis. Ondanks de vele fouten en misstanden in Israël en de bezette gebieden, en de diverse kleine en grote ergernissen en irritaties die ik hier dagelijks ervaar, doe ik altijd mijn best vooral naar de indrukwekkende prestaties en inspirerende lichtpunten van dit fascinerende land te kijken. En in dat opzicht zijn wij in Israël de generaties van en vóór Shimon Peres veel dank verschuldigd. Het is nu aan de nakomelingen daarvan om ervoor te zorgen dat de idealen waarmee het zionisme ooit begon niet als een nachtkaars uitgaan, en dat de droom van hun (groot- en overgroot-)ouders nooit een nachtmerrie zal worden.

Monday, August 01, 2016

Joep Bertrams on Erdogan and Turkey

I found this cartoon on the website of Joep Bertrams.

If Bertrams followed the news in Israel, he might make also the exact cartoon about current media policies in this country, with the Israeli flag replacing the Turkish one, and Bibi and/or Culture Minister Regev's face instead of Erdogan's. 


Voice of the People

Thursday, July 28, 2016

Tom Janssen on Boris Johnson

Found on the website of Tom Janssen.


Tom Janssen on Erdogan and Gulen

I found this on the website of Dutch cartoonist Tom Janssen.



(beweging = movement)

It's Time for the Forces of Light to Shine

I translated the Dutch article that can be found in the previous posting into English, and published it on my blog on the website Times of Israel.

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende artikel stond eerder deze week in het Friesch Dagblad.

Tijd voor de krachten van het licht


Afgelopen zaterdag heb ik samen met onze negenjarige zoon in de bioscoop de zeer geslaagde Disneyfilm Zootopia gezien. Deze bevat minstens twee boodschappen die Amerikaanser lijken dan ooit: we hebben allemaal last van vooroordelen, en iedereen kan worden wat hij/zij wil. Judy Hopps, de hoofdpersoon (een konijn) zegt in de film trefzeker: “Het blijkt dat het leven ietsje ingewikkelder is dan een slogan op een bumpersticker”. Dit was kort nadat Hillary Clinton had getwitterd dat Tim Kaine haar running mate was, en na een week waarin een belangrijk deel van de aandacht van de media wereldwijd gewijd was aan vier mannen: de Turkse president Erdogan, de Tunesische terrorist en crimineel Mohamed Lahouaiej-Bouhlel uit Nice, de Republikeinse presidentskandidaat Donald Trump, en Ali Sonboly, de jonge Duits-Iraanse moordenaar uit München.

Terwijl München nog volledig door paniek bevangen was, de autoriteiten nog naar eventuele mededaders van Sonboly zochten, en er nog volstrekt geen duidelijkheid was over de mogelijke ‘motieven’ voor de verschrikkelijke schietpartij, liet Donald Trump via Twitter weten dat het wat hem betreft duidelijk was in welke hoek de dader(s) gezocht moest(en) worden: “Dit kan niet zo doorgaan. We moeten er alles aan doen wat in ons vermogen ligt om dit van onze grenzen (lett. ‘onze kusten’) te weren”. Je kan het de ‘arme’ man haast niet kwalijk nemen dat hij meteen aan moslimterroristen dacht. Inmiddels lijkt het er echter op dat de schijnbaar tamelijk labiele Sonboly een bijna klassieke tienermoordenaar (gepest, gefrustreerd, gefascineerd door geweld en wapens) was, Iraans maar geboren en getogen in Duitsland, en mede geïnspireerd door de wandaden van de rechtsextremistische Noorse moslimhater Anders Breivik.

Toch wil ik het hier vooral over de Democratische presidentskandidate hebben. Misschien zou mevrouw Clinton er goed aan doen om bovenstaand citaat uit de film juist als bumpersticker te gaan gebruiken, mits Disney daarmee instemt natuurlijk. Als iets de Republikeinse conventie vorige week karakteriseerde, dan was het wel het onderlinge geruzie, en bovenal de uitgesproken negatieve, haast deprimerende sfeer. Het draaide allemaal om het zwartmaken van Clinton, het opkloppen van haat, het uitvergroten van tegenstellingen, en het aanjagen van angst. Behalve directe of indirecte verwijzingen naar de bewust weer opgerakelde kreet “America First” (ondanks of juist vanwege de sterk xenophobe, jazelfs anti-semitische associaties met de beweging die in 1940 en 1941 pleitte tegen Amerikaanse steun aan de strijd tegen Nazi-Duitsland), hebben Donald Trump en Mike Pence niet of nauwelijks aangegeven waarvóór ze staan, maar vooral waartégen ze ageren. Hierin ligt de missie, en volgens mij ook de kans, voor Hillary Clinton en Tim Kaine.

Het is erg verleidelijk om steeds maar weer te wijzen op Trumps vele tegenstrijdigheden, zijn talloze foute vrienden en supporters, de talrijke problematische uitspraken en deals uit zijn verleden. Maar wat zou het nu eens een verademing zijn indien deze week, wanneer de Democraten hun kandidaat voor de presidentsverkiezingen benoemen, niet gewijd is aan onderling gekonkel, noch aan de fouten en gevaren van Trump en ‘zijn’ partij, en als Amerika en de wereld duidelijk horen waarom de Amerikaanse kiezers juist vooral vóór Clinton-Kaine zouden moeten kiezen. Niets is immers een machtiger wapen tegen de krachten der duisternis dan de krachten van het licht.

Ik weet zeker dat veel kiezers willen horen hoe Clinton en Kaine meer gelijke kansen voor álle Amerikanen willen creëren, hoe zij de politie en de diverse groeperingen in de Amerikaanse maatschappij (waaronder de grote en belangrijke Afro-Amerikaanse minderheid) willen helpen om samen te werken voor meer veiligheid en wederzijds respect en begrip, hoe ze meer Amerikanen toegang willen geven tot betere gezondheids- en onderwijsvoorzieningen. Op het internationale vlak zouden de Democraten hun potentiële kiezers – en tevens de hele wereld, die de verkiezingen om begrijpelijke redenen met veel belangstelling volgt – moeten vertellen hoe de zorg voor het milieu verbeterd kan worden, hoe ze Amerika’s positie in de wereld gaan versterken, en hoe Amerika beter – niet minder – met haar bondgenoten kan samenwerken en effectiever haar vijanden kan bestrijden.


Als alternatief voor het zeer negatieve gedachtengoed dat de Republikeinen in de persoon van Donald Trump hebben omarmd, alsmede tegenover het haast nihilistische perspectief van vrijwel alle terroristen ter wereld,  zouden Clinton en Kaine – liefst met volmondige steun van Bernie Sanders – een boodschap van hoop en maakbaarheid moeten bieden. Dat betekent niet dat men de onnoemelijk vele gevaren waarmee Amerika, de vrije en ook minder vrije wereld geconfronteerd worden moet ontkennen of bagatelliseren. Integendeel. Maar je kunt al die gevaren en het negativisme dat zij veroorzaken niet bestrijden zonder daar zelf iets positiefs tegenover te stellen. Door Amerikanen ervan te overtuigen dat een betere, verwachtingsvolle werkelijkheid wel degelijk bereikt kan worden, kunnen de Democraten hun land weer hoop en vertrouwen, én een werkelijke keuze geven. Deze boodschap zal ook elders ter wereld – Istanbul, Gaza, Parijs, Jeruzalem, Moskou, Den Haag, waar dan ook – gehoord worden, zowel door burgers als door degenen die hen zouden moeten leiden. Ik kan Hillary Clinton geen beter advies geven dan nog een citaat van Judy Hopps: “Probeer de wereld een betere plek te maken. [...] Erken dat verandering bij jóú begint.”


Wednesday, July 20, 2016

Joep Bertams on Turkey and Erdogan

Found on the website of Joep Bertrams.


Day of Reckoning 
(literally 'day of axes', "Erdogan has his day of reckoning after strange but failed coup")

National Feeling

Monday, July 18, 2016

Joep Bertrams on the new British PM

Found on the website of Joep Bertrams.



Mother Theresa

Thursday, July 14, 2016

If you come across this blog and do not know Dutch...

...you might notice that in the last few years I have not written very much in English. It's a fact that, whereas in the first nine, ten years of this weblog's existence I used to blog a lot, both in Dutch and in English, after 2012 I somehow stopped having the time and energy to spend as much time writing online as I had before. Since then, on this blog I have mainly posted articles of mine, in Dutch, which were published in two Dutch newspapers that I occasionally write for. If you want an idea of what I wrote in earlier years, just browse through previous postings, or search for "Jerusalem Report" in the search engine on this weblog (you can also click here). Three fairly recent articles that I wrote in English (and one revised version of a not so recent one) you can find here, on the website Times of Israel. Every now and then I also post comments - similar to the kind of things I used to post on my blog - on Facebook.

Thursday, June 23, 2016

Artikel in het Reformatorisch Dagblad

Het volgende artikel stond vandaag in het Reformatorisch Dagblad.


Steun Israël, niet de bezetting



Het doet altijd goed om te lezen dat mensen buiten Israël de Joodse staat een warm hart

toedragen. Zeker als het om jonge mensen gaat, en helemaal wanneer die jongeren actief zijn

binnen een partij als het CDA. Toch zou ik graag drie kanttekeningen willen plaatsen bij “CDA



Allereerst schrijven de auteurs dat het in het Midden-Oosten “ten diepste gaat om een

islamitisch-Joods conflict”. Als we het over het Midden-Oosten in het algemeen hebben betreft

het inderdaad een voornamelijk religieus conflict, al gaat het veel verder dan ‘de’ Islam vs ‘het’

Jodendom. Maar als we naar hét conflict tussen Israël en de Palestijnen kijken, zien we dat dat

veel meer dan slechts religieus is, en dat we tegenover Israël zowel islamitische als christelijke

Palestijnen vinden. Dat geldt zowel voor terroristen (sommige van de meest notoire Palestijnse

misdadigers waren Palestijnse christenen) als voor de overgrote meerderheid van onschuldige

Palestijnse burgers. Christenen en moslims in de bezette gebieden hebben allemaal te lijden

onder de bezetting.


Een schijnbaar onbenullig voorbeeld uit mijn recente persoonlijke ervaring. Ik ben momenteel

druk bezig met het opzetten van een ‘virtueel’ samenwerkingsprojekt tussen mijn school

(Israëlisch, overwegend Joods) en een christelijke school in Ramallah. Na een jaar van online

‘verkenningen’ en één-op- één ontmoetingen aan de Israëlische kant van de Groene Lijn

nodigden mijn vrouw en ik mijn collega en zijn gezin onlangs uit voor een maaltijd bij ons thuis.

Ongeveer twee uur voordat we hadden afgesproken belde hij me op. De soldaten bij de

checkpoint zeiden dat hij en zijn vrouw konden doorrijden, maar dat de twee jonge kinderen geen

vergunning hadden om Israël binnen te komen, en dat ze hen dus maar moesten achterlaten.

Natuurlijk deden ze dat niet, ze keerden terug naar Ramallah en wisten wel de benodigde

vergunning te krijgen. We hadden uiteindelijk een zeer bijzondere middag samen. Voor mijn

kinderen waren onze gasten de eerste Palestijnen ooit die ze niet op het nieuws zagen. Voor hun

twee zoons waren wij de eerste Israëliërs in hun leven die geen kolonisten of soldaten zijn. Ik zei

het, een onbenullig voorbeeld, en ik weet dat die soldaten daar ook voor de veiligheid van mijn

gezin en mijzelf staan (onze kinderen zullen te zijner tijd vanzelfsprekend ook alledrie d.v. dienst

doen), maar dit minieme incident geeft wel aan hoe absurd dit conflict is, hoe het Israël moreel

corrumpeert, én hoe het Palestijnen zonder aanziens der religie treft. Overigens doen de fanatici

aan Israëlische zijde (die altijd een belangrijke rol hebben gespeeld bij het bepalen van de pro-

nederzettingenagenda van Nethanyahu en zijn regeringen) er net als Hamas en andere

islamistische organisaties alles aan om dit conflict – dat naast een religieuze wel degelijk ook een

nationale, of nationalistische, én een puur menselijke component heeft – vooral nóg religieuzer te

maken.


Daarnaast stellen de acht CDJA-ers dat de oorzaak van het conflict het feit is dat de Arabische

wereld Israël niet accepteert. Dit geldt al jaren als onzin. Zie bijvoorbeeld het Arabische

Vredesinitiatief, en de vredesverdragen tussen de Joodse staat en Egypte en Jordanië. Het gaat

weliswaar om een initiatief waarover nog veel te onderhandelen valt en om vaak koude vredes,

maar, om Amos Oz te parafraseren, vrede is eerst en vooral de afwezigheid van oorlog. Het al in

2002 gelanceerde Arabische vredesinitiatief spreekt over normalisatie in ruil voor een Israëlische

terugtrekking uit alle bezette gebieden. Veel deskundigen zien het als dé manier voor Israël om

eindelijk door haar buren erkend en geaccepteerd te worden. Dat de meest vocale oppositie tegen

dat voorstel nu juist in Gaza, Teheran, en (West) Jeruzalem klinkt is geen toeval.


Tenslotte het labelen van produkten uit bezet gebied. Het is opvallend maar evenmin toevallig

dat nu juist veel Israël-haters aan de ene kant en rechts-nationalistische Israëliërs en hun

buitenlandse supporters aan de andere kant vaak niet of nauwelijks onderscheid lijken te kunnen

of willen maken tussen Israël en de nederzettingen. Net zomin als ik BDS-fan ben (er zitten veel

onfrisse types in die beweging), ontvang ik graag ‘steun’ van Wilders, Marie Le Pen of Trump.

Het plakken van stickers op produkten uit bezet gebied – zoals de EU heeft voorgesteld – is

echter absoluut niet hetzelfde als een boycot van Israel, en al helemaal niet als “Koop niet bij

Joden”. Eerlijk gezegd, wanneer ikzelf de keus heb tussen twee produkten, het ene gemaakt aan

deze en het andere aan gene zijde van wat in mijn ogen een grens tussen twee staten zou moeten

zijn, kies ik steevast voor het eerste. Het zou juist goed zijn als werkelijke vrienden van Israël

eindelijk inzien dat juist een tweestatenoplossing (en dus een duidelijke scheiding tussen Israël

en – een groot deel van – de nederzettingen, en een einde aan de bezetting) in Israëls belang is,

en als zij dat inzicht met de wereld én met Israël delen. Steun voor Israël moet weer steun voor

Israël worden, en ophouden steun voor het nederzettingenbeleid te zijn. Laat men daar voor

pleiten bij het CDA en alle andere genoemde pro-Israël partijen.

Sunday, May 29, 2016

Artikel in het Reformatorisch Dagblad

Het volgende artikel stond afgelopen weekend (met een paar dagen vertraging) in het Reformatorisch Dagblad.

Interessante tijden

In Israël lijkt de aprokriefe Chinese vloek ‘Moge je in interessante tijden leven’ meer dan ooit van toepassing te zijn. Een samenvatting van de gebeurtenissen. Afgelopen weekend verving premier ‘Bibi’ Nethanyahu zijn minister van defensie – Moshe ‘Bogy’ Yaalon, voormalig opperbevelhebber van het leger en het enige kabinetslid met werkelijke vakkennis op het gebied van zijn ministerie – door Avigdor Liberman van de extreem-rechtse Israël Ons Huis (IOH) partij. Nethanyahu deed dit om zijn nauwe coalitie (61 van de 120 Knessetleden) met zes IOH leden te vergroten en daarmee zijn politieke korte-termijn toekomst veilig te stellen, maar niet minder om van een kritische, gematigde deskundige binnen zijn regering af te zijn. De bom tussen Bibi en Bogy barstte na twee incidenten en de daaruit voortvloeiende publieke discussies.

Eind maart schoot Elor Azaria, een IDF-soldaat in Hebron, een gewonde (en, volgens de aanklacht tegen de soldaat, ontwapende) Palestijnse terrorist dood. Op Holocaustgedenkdag maakte Yair Golan, de tweede man van het Israëlische leger, tijdens een toespraak een impliciete vergelijking tussen tendenzen in het huidige Israël (waaronder de discussie rond ‘de schietende soldaat’) en die in Europa van de eerste helft van de vorige eeuw. Bij de debatten rond beide affaires kon men een tweedeling waarnemen binnen de Israëlische maatschappij, van ‘supporters’ en ‘tegenstanders’. Het waren vooral ‘rechtse’, populistisch-rechtse, religieus-nationalistische en extreem-rechtse Israëliers die zich kwaad maakten over Yair Golans woorden en over het feit dat Elor Azaria zich überhaupt voor een militaire rechtbank moet verantwoorden. Meer gematigde, liberale danwel linkse, en veelal seculiere Israëliërs spraken hun steun uit voor de legerautoriteiten (in de zaak Azaria) en voor generaal Golan. Het wekte weinig verbazing dat bij dit publieke debat Nethanyahu, die immer perfekt het gesundenes Volksempfinden aanvoelt, steun uitsprak voor (de familie van) Orel Azaria, en Yair Golan publiekelijk de les las. Yaalon daarentegen stelde zich vierkant achter de legerautoriteiten en achter Golan op. Vorige week zei hij dat het belangrijk is dat legerofficieren hun mening onomwonden blijven verkondigen, ook als die niet overeenstemt met die van de meerderheid van de bevolking, die van hun commandanten of die van de regering. Dat was voor Bibi schijnbaar één van de spreekwoordelijke druppels: Bogy moest hangen.

Het is tekenend voor de huidige crisis dat op één van de belangrijkste ministeries een uitgesproken deskundige generaal en oorlogsheld (en een gematigde havik) wordt vervangen door een onvoorspelbare, ronduit racistische korporaal (en Poetin-adept), die de doodstraf voor terroristen (alleen Arabische, niet Joodse) wil herinvoeren. Om toch nog een generaal in het zogenaamde veiligheidskabinet (verantwoordelijk voor, de naam zegt het al, zaken van nationale veiligheid) te hebben is de minister van woningbouw tot dat mini-kabinet toegelaten. Daarnaast spreekt het boekdelen dat in de Knesset Yaalons plaats binnen de Likudfractie naar alle waarschijnlijkheid wordt ingenomen door rabbijn Yehuda Glick, een vurig beijveraar voor de bouw van de Derde Tempel op de plaats van de El-Aqsa moskee, en dat activisten van Lahava (Voor het voorkomen van assimilatie in het Heilige Land, een extreem-rechtse, nationalistisch-religieuze, anti-Islam en anti-christelijke organisatie) een ‘afscheidsfeestje’ bij Yaalons huis hielden toen bekend werd dat hij zou vertrekken.
Nu de ministeriële portefeuilles deels worden herverdeeld houdt Bibi het Ministerie van Buitenlandse Zaken (sinds het aantreden van het huidige kabinet, ruim een jaar geleden, ‘geleid’ door een jonge, ambitieuze en bevlogen pleitbezorgster van het nederzettingenbeleid) voor zichzelf. Dit om, zoals hij zelf zegt, dat ministerie “als onderhandelingstroef” te behouden, om de vleugellamme en volkomen gespleten Arbeidspartij zijn regering binnen te lokken. Het is heel-veel-zeggend dat een ministerie dat zo belangrijk is, zeker nu Israëls internationale en regionale positie nog meer verzwakt is dan ze al was, niet door een full-time en deskundige politicus wordt geleid, en als niet meer dan een lokkertje voor een futloze oppositiepartij wordt beschouwd.

Maar significanter dan alles was de spontane uitbarsting van Ronny Daniel, afgelopen vrijdagavond tijdens een tv-discussie, tussen journalisten en politici, over de nieuwe politieke situatie. Daniel, een ervaren militaire journalist, oorlogsveteraan en Zionist die zeker niet tot het politieke linkerdeel van het journaille gerekend kan worden, zei dat hij “na deze week”, en “met de huidige heersende politieke cultuur in Israël” (waarbij hij de namen van vier rechts-populistische ofwel extreem-rechtse Knessetleden noemde, die volgens hem de verloedering symboliseren), niet zeker is of hij wel wil dat zijn kinderen hier blijven: “Ik zal hier blijven. Wat mijn kinderen betreft, ben ik niet zo zeker”.


Is er dan geen lichtpuntje? Wie weet. Heel misschien heeft Bibi zichzelf deze keer politiek ‘in de voet’ geschoten. Tot nu toe was er ter rechterzijde van het politieke spectrum (de kans op een linkse premier binnen afzienbare tijd is nihil) geen concurrent voor Bibi te vinden die niet alleen een bewonderenswaardige militaire staat van dienst heeft maar ook pragmatisch en politiek gematigd is, ambities richting het premierschap heeft én op goede samenwerking met meer liberale en seculiere partijen kan rekenen. Sinds vrijdag lijkt het erop dat er een potentiële kandidaat is die aan al die criteria voldoet. In de tussentijd moeten we het met Bibi en zijn razend interessante tijden doen.

Monday, May 23, 2016

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende artikel stond afgelopen zaterdag in het Friesch Dagblad.

Een verbazingwekkend land


Als er iets is wat me steeds weer fascineert in Israël, dan is het wel het feit dat het land en zijn mensen me steeds weer kunnen verbazen. Al slaat die verbazing de laatste jaren nogal eens om in verbijstering of ontsteltenis. Telkens wanneer ik denk dat het niet gekker, absurder, of onheilspellender kan, kom ik erachter dat ik simpelweg niet genoeg verbeeldingskracht had.

In sterk contrast met het aangename en rustige weer, raast er een politieke storm door Israël. Wekenlang hoorden we over pogingen om tot een regering van nationale eenheid te komen. De vleugellamme ex-Arbeidspartij zou deel gaan uitmaken van de rechts-religieuze regering onder leiding van Binyamin Nethanyahu. Blijkbaar wilde Nethanyahu vooral druk uitoefenen op de tamelijk extreem-rechtse Israël Ons Huis partij. Zo kon hij de zes Knessetleden van IOH in de richting van de smalle regeringscoalitie (tot nu toe 61 van de 120 Knessetzetels) manoeuvreren, en daarmee zijn eigen politieke positie veiligstellen. Dat IOH-leider Avigdor Liberman een grote politieke concurrent op rechts is deert de premier nauwelijks. Voor Nethanyahu zijn korte-termijn-denken en politieke overleving immers meestal belangrijker dan visie, strategisch denken, of het landsbelang.

Dat laatste wordt helemaal duidelijk nu we weten wie binnen de regering plaats moet maken voor Liberman: Moshe Yaalon (bijnaam ‘Boogy’), de minister van defensie. Van alle  kabinetsleden was hij – voormalig opperbevelhebber van het Israëlische leger – feitelijk de enige die werkelijk verstand van zijn vak had. Zo heeft Israëls minister van financiën een eerste graad in rechten, politieke wetenschappen en ‘algemene studies’, is de minister van justitie een gediplomeerd computeringenieur zonder enige juridische achtergrond, en heeft de minister van ‘wetenschap, technologie, en ruimte’ slechts een bachelor’s graad in sociale wetenschappen. Bijna nog grotesker dan dit gebrek aan deskundigheid onder Israëls huidige regeringsleiders is de veelvoud van taken van sommige kabinetsleden. Zo is premier Nethanyahu ook, in feite of in naam, minister van communicatie, van buitenlandse zaken, van gezondheid, van regionale samenwerking, van economische zaken, en – na Yaalons aftreden en totdat de onderhandelingen met Israël Ons Huis zijn afgerond en Liberman Yaalon opvolgt – nu dus ook even minister van defensie. Erdogan kan nog wat van hem leren. Er is nog een parallel met Turkije. Steeds meer zijn het nu juist hoge officieren en professionele veiligheidsdeskundigen die pleiten vóór seculier-zionistische waarden en relatief gematigde principes, en tégen gevaarlijke militaire avonturen.

Yaalons positie werd – wat Bibi betreft – onhoudbaar, vooral door twee recente affaires. Eind maart schoot een Israëlische soldaat een gewonde, en volgens getuigen niet meer gevaarlijke, terrorist in koelen bloede dood. De soldaat werd gearresteerd, en tegen hem loopt een militaire rechstzaak. De opperbevelhebber van het leger uitte openlijk kritiek op de (mis)daad van de soldaat, en werd daarbij gesteund door zijn ‘baas’, de minister van defensie. Premier Nethanyahu, daarentegen, voelde zoals altijd goed aan dat een aanzienlijk deel van de bevolking zich achter de soldaat schaarde en hem als held beschouwde, en belde zelfs zijn familie op om hun een hart onder de riem te steken. Een andere ‘affaire’ vond plaats op de Holocaustgedenkdag. Mede naar aanleiding van de ontwikkelingen rond ‘de schietende soldaat’ sprak de tweede man van het leger, generaal Yair Golan, in een officiële toespraak zijn zorgen uit over gevaarlijke en zorgwekkende tendenzen binnen de Israëlische maatschappij. Het was duidelijk dat hij daarbij o.a. doelde op het groeiende racisme en nationaal-religieus extremisme, en de diepe, groeiende verdeeldheid in het land. Golan verwees rechtstreeks naar “processen in het Europa van 70, 80, 90 jaar geleden”. Nethanyahu leidde het koor van hen die schande spraken over deze ‘ongehoorde’ vergelijking. Yaalon sprak openlijk zijn steun uit voor Yair Golan, en kort daarna zei hij in een toespraak tot hoge officieren dat ze altijd voor hun professionele en persoonlijke mening moeten uitkomen, ook als die niet overeenstemt met die van de meerderheid of van hun superieuren. Origineel handelen en kritisch denken zijn altijd troeven geweest van het Israëlische leger. De premier kon het echter niet verkroppen dat zijn opportunistische en populistische stem keer op keer werd tegengesproken door de enige ‘verantwoordelijke volwassene’ binnen de regering.

Bibi moest dus van Boogy af.  En tegelijkertijd wilde hij zijn coalitie verbreden. Daarom verving hij aan het hoofd van één van de belangrijkste ministeries een superdeskundige generaal door een korporaal (tevens een racistische, onberekenbare, meer dan eens van corruptie beschuldigde bewonderaar van Poetin). Boogy’s plaats in de Knesset wordt ingenomen door een ‘Tempelactivist’, die pleit voor het herbouwen van de Tempel daar waar nu de al-Aqsa moskee staat. Wat nog zorgwekkender is dan Nethanyahu en zijn kliek van jaknikkers is het feit dat er geen oppositie van betekenis is, en dat er aan de politieke oppervlakte geen geloof- en levensvatbaar alternatief voor Bibi te zien valt. Met het gezonde verstand kun je gewoonweg niet verklaren hoe een land, door dit soort politici geleid, door zoveel gevaren omringd, en door dusdanig veel problemen (deels van eigen makelij) geteisterd, het al met al in verschillende opzichten redelijk tot goed doet. Kortom, Israël is een bijzonder, fascinerend, en verbazingwekkend land, en dat blijft-ie.

Wednesday, February 17, 2016

Artikel in het Reformatorisch Dagblad

Het volgende stuk stond gisteren in het Reformatorisch Dagblad.

Vele kleintjes maken grote dingen

Telkens wanneer ik zie hoe buitenstaanders, christenen vooral, oprecht geïnteresseerd zijn in al wat zich in het Heilige Land, afspeelt, vervult me dat met een mengeling van verwondering en dankbaarheid. Vorige maand ervoer ik dat gevoel weer, toen ik rond de Holocaustgedenkdag namens mijn school voor lezingen – bij protestants-christelijke gemeenten en op een middelbare school – in Noord-Beieren was uitgenodigd. Werkelijke belangstelling, kritische maar respectvolle vragen, en ware vriendschap: voor veel christenen blijft de Joodse staat “meer dan zomaar een land op de aardbol” (Bernard Bot, in mijn boek "Israël en ik" (2008)). Gelukkig maar.

Ook Bart Jan Spruyt is gefascineerd door Israël. Zijn "Staan we aan de vooravond van grote dingen?" (Reformatorisch Dagblad, 8 februari j.l.) bevat bijkans mystieke overpeinzingen na zijn recente, eerste, bezoek aan Israël. Daarbij trekt hij boeiende parallellen tussen zijn eigen inzichten en de visies van Groen van Prinsterer en diens ‘Réveilvriendenʼ anderhalve eeuw geleden. In twee opzichten heb ik moeite met Spruyts interpretatie.

Allereerst boezemt wat zich ondanks Spruyts terughoudendheid laat lezen als een vorm van wishful thinking mij altijd een zekere angst in. Vooral omdat dergelijke eindtijdsverwachtingen, ondanks alle verschillen, onmiskenbare raakvlakken hebben met Joodse én islami(s)tische eschatologische ideologiën, die meestal gepaard gaan met (visioenen vol) grof geweld. Als seculiere Zionist, gelovig maar voorstander van de scheiding van staat en religie, én als vader van drie kinderen (waarvan de oudste al begonnen is met de keuringen voor het leger), voel ik er weinig voor ongevraagd een rol te spelen in wat voor apocalyptisch scenario dan ook. Het zionisme heeft van oudsher messiaanse elementen gehad, maar deze nationalistische beweging is altijd toch vooral seculier én pragmatisch geweest. Een democratische staat, met een Joodse meerderheid en verdedigbare, internationaal erkende grenzen, dat is al waar het ons om te doen is, voor zover ik weet. Voor mij maakt bovendien rechtvaardigheid voor Joden én Palestijnen deel uit van de zionistische droom. De “toespitsing van grote tegenstellingen” zie ik als iets wat waar mogelijk tegengegaan moet worden, niet als een haast onontkoombaar, of misschien zelfs wenselijk gegeven.

Daarnaast ben ik van mening dat Spruyts hypothetische keuzestelling (“Het zou mij niet verbazen als wij op een gegeven moment voor de keuze komen te staan: óf we blijven Israël steunen en nemen terreur op de koop toe, óf we zeggen die steun op in ruil voor een vreedzaam bestaan. Ik ben er niet zeker van dat iedereen dan de juiste keuze zal maken”) tamelijk absurd is. Het is heel goed mogelijk – of liever, de plicht van iedere vriend van Israël – om de Joodse staat te steunen zónder terreur op de koop toe te nemen. Steun én kritiek (op bijvoorbeeld het nederzettingenbeleid van de Israëlische regering, een beleid waaronder ook veel Palestijnse christenen lijden) kunnen daarbij heel goed samen gaan, en die combinatie getuigt niet van minder loyaliteit met Israël, integendeel. Bovendien zou ik nooit suggereren dat landen zichzelf van een vreedzaam bestaan kunnen verzekeren (d.w.z. terreuraanslagen kunnen afkopen) door Israël af te vallen. Zo’n suggestie geeft blijk van een gebrek aan inzicht in de aard van bijvoorbeeld IS. Zie de recente aanslagen in Turkije, niet bepaald de grootste vriend van Israël de laatste jaren.


Bij het lezen van de titel en de conlusie van Spruyts artikel moest ik onwillekeurig denken aan de zegswijze “Vele kleintjes...”. Net als hij, en vrijwel alle Joden en christenen (ieder met zijn of haar eigen verwachtingen en invulling), zie ik uit naar de komst van de Messias, en hoop ik dat die komst zal leiden tot een rechtvaardiger, leefbaarder werkelijkheid voor Joden, Arabieren, christenen, moslims, en de gehele mensheid. Ik denk echter dat we allemaal, teneinde “de vooravond van grote dingen” te bereiken en Yerushalayim shel lemala (Jeruzalem van boven) te verwezenlijken, eerst zélf nog heel veel kleine dingen zullen moeten doen. Voor onze buitenlandse vrienden kan het kiezen voor proactieve én kritische steun aan Israël zo’n klein ding zijn. Zo’n keuze is naar mijn bescheiden mening dé juiste.

Thursday, January 07, 2016

Artikel in het Reformatorisch Dagblad

Het volgende artikel stond gisteren in het Reformatorisch Dagblad.

Problemen te over

Harry Honigh (“Israël niet hét probleem in de wereld”, 26.12.15) stelt terecht dat Israël niet het belangrijkste struikelblok in de wereld is, dat de Joodse staat momenteel een strijd “om het naakte bestaan” voert, en dat dit land de hulp en steun van christenen hard nodig heeft. Zijn en mijn interpretatie van de realiteit verschillen echter in meerdere opzichten.

Over het nietbestaande verband tussen moslim-extremisten en het Palestijns-Israëlische conflict zijn Honigh en ik het volkomen eens. Dat een Palestijnse staat naast Israël (volgens velen een onlosmakelijk deel van een rationele oplossing van ‘het’ conflict) of zelfs (God verhoede) in plaats van Israël de islamistische terreur zou stoppen is een waanidee. Israël is niet hét probleem en niet dé versjteerder in het Midden-Oosten. Als overtuigd en praktizerend Zionist weiger ik te geloven dat Israël als zodanig überhaupt eenprobleem is. Ik denk juist dat het land een pilaar van stabiliteit en een bron van inspiratie voor de regio zou kunnen zijn. Toch meen ik dat minstens één element binnen Israëls regeringsbeleid problematisch is, en bepaalde problemen veroorzaakt of voedt.

Vandaag de dag is, naast Palestijns(-islamistisch)e terreur, het rechts-religieuze extremisme dat zich de laatste jaren meer en meer in Israël en vooral op de (bezette, betwiste, hoe je het noemen wilt) Westoever manifesteert één van onze belangrijkste of althans gevaarlijkste problemen. Al jaren spelen politie en leger een kat-en-muis-spel met de zogenaamde ‘heuveltop jeugd’, een groep van feitelijk anarchistische jonge kolonisten. Zij spelen een sleutelrol in de bouw van illegale danwel ‘betwiste’ nederzettingen of ‘buitenposten’ (vlakbij bestaande nederzettingen), bij de vaak gewelddadige demonstraties tegen de ontruiming van dergelijke plaatsen door de autoriteiten, en in de zogenaamde ‘prijskaart’ terreurdaden tegen Palestijnen en tegen ‘Arabische’ eigendommen (huizen, olijfbomen, auto’s, moskeeën, kerken). Ook de hoofdverdachte van de moord in Duma, door middel van een brandbom, op de 18 maanden oude Ali Saad Dawabsha en diens ouders (hun 4-jarige zoontje Ahmad liep zware brandwonden op), was een (voormalige) ‘heuveltopjongere’. Hij behoort tot een groep die ‘De Opstand’ heet. Deze groepering, waarschijnlijk bestaande uit slechts enkele tientallen activisten, keert zich tegen de ‘vreemde’ zionistische staat en wil een Joods Koninkrijk stichten. Activisten van een andere extremistische groep, Lehava (Voor het Voorkomen van Assimilatie in het Heilige Land, vooral actief in de ‘strijd’ tegen gemengde huwelijken), werden eerder dit jaar veroordeeld voor brandstichting in een centrum voor gezamenlijk Joods-Arabisch onderwijs in Jeruzalem. De leider van Lehava, evenals die twee brandstichters een praktizerend kolonist, heeft onlangs gezegd dat er voor Kerstmis geen plaats is in Israël. Hij noemde christenen vampiers en bloedzuigers, die (uit Israël) verwijderd moeten worden.

Weliswaar gaat het hier om randverschijnselen. Toch moet worden vastgesteld dat die verschijnselen zich hebben kunnen ontwikkelen met stilzwijgende danwel actieve steun uit o.a. regeringskringen, en dat ze op zijn minst indirect verband houden met het nederzettingenbeleid. Tot de moord in Duma konden de ‘heuveltop jongeren’ rekenen op morele en praktische steun van veel ‘mainstream’ kolonisten, en van de kolonistenlobby binnen de Likud en Het Joodse Huis (HJH). Betsalel Smotritch, HJH Knessetlid, weigert tot op heden de misdadigers van Duma (of bijvoorbeeld Baruch Goldstein, de extremistische kolonist die in 1994 29 moslims in een moskee vermoordde) terroristen te noemen. Wat het anti-terreurbeleid aangaat gelden in Israël en voor Joden de facto andere wetten dan op de Westbank en voor Palestijnen. Dit staat nog los van de economische en diplomatieke schade die het nederzettingenbeleid Israël berokkent. Premier Nethanyahu helpt ook niet echt. Door bijvoorbeeld op verkiezingsdag vorig jaar, en na een terreuraanslag in Tel Aviv afgelopen week, in te spelen op anti-Arabische onderbuikgevoelens onder zijn kiezers, heeft hij de toch al bestaande kloof tussen Israëls Joden en Arabieren alleen maar groter gemaakt. Arabische Israëliërs, die misschien wel een deel van ʻde’ oplossing voor het conflict zouden kunnen zijn, worden zo steeds meeren bloc in de rol van buitenstaander, vreemdeling, en vijand gedrukt.

Ook met betrekking tot een ‘coöperatieve opstelling’, of liever een gebrek daaraan, verschillen Harry Honigh en ik van mening. In mijn ogen kunnen Palestijnen en Israëliërs in dat opzicht elkaar namelijk de hand schudden. Geen van beide partijen heeft de laatste jaren bovengemiddeld haar serieuze best gedaan om vrede dichterbij te brengen, en beide partijen maken zich continu schuldig aan het aanzetten tot (of het niet actief genoeg voorkomen van) haat en geweld. Israël, als Joodse én democratische staat, voert zonder meer een strijd om zijn bestaan, naar binnen en naar buiten toe. Naast morele steun en gebeden, waar meer dan ooit behoefte aan is, zou ik dan ook graag zien dat Israëls vrienden hun Israëlische gesprekspartners deelgenoot maken van hun verontrusting over directe en indirecte gevolgen van het nederzettingenbeleid, en dat die vrienden – als ze ook Palestijnse contacten hebben – hun best doen om hun gesprekspartners van beide kanten (nader) tot elkaar te brengen. Met dergelijke toenaderingen (hoe kleinschalig ook) begint de weg naar vrede, zo is mijn persoonlijke overtuiging en ervaring. Ook al zal een uiteindelijke (imperfecte) vrede tussen Israël en de Palestijnen IS en andere islamistische terreurbewegingen niet doen verdwijnen, Joden en Arabieren en de wereld als geheel zullen er zeker wel bij varen.

Wednesday, December 23, 2015

Artikel in het Friesch Dagblad

Het volgende artikel stond gisteren in het Friesch Dagblad.
Tel uw zegeningen!

Geachte mede-Nederlanders,

Begin december was ik in Nederland met onze jongste zoon (9). Hij heeft de vakantie van zijn leven gehad, met bezoeken aan diverse musea (hij is gek op kunst), twee dagen in de Efteling (inclusief een heerlijke hotelovernachting), en een bezoek van Sinterklaas en twee heuse Zwarte Pieten bij opa thuis. Nu kon dat tenminste nog. En dat brengt me bij de reden voor dit artikel: zalig is het land waarin al jarenlang gedurende de laatste drie, vier maanden van het jaar een ‘zwarte-pietendiscussie’ zo ongeveer het heetste hangijzer is.

Toen ik vorige week weer terug in Haifa was, vroeg een collega, die met zijn vriend in dezelfde vakantieweek in Amsterdam en omgeving was geweest, mij doodserieus: “Wat doe je hier in hemelsnaam? Waarom ben je hierheen gekomen? Wat een stad is dat, Amsterdam! Zulke aardige mensen, zoveel vrijheid! Beseffen de mensen in Nederland wel hoe goed ze het hebben, en hoeveel mazzel ze hebben?” Ik moest even nadenken over het antwoord. Ik ben het met hem eens dat Amsterdam een prachtstad is, maar Nederland is meer dan enkel Amsterdam, en als ik de media, sommige politici en online fora mag geloven bepalen niet zozeer blijdschap, hoop en dankbaarheid maar eerder angst, woede, en ontevredenheid de hedendaagse gevoelens van veel Nederlanders.

Zo hoor en lees ik vaak klachten over het openbaar vervoer in Nederland. Wegens een seinstoring moesten wij ook zelf een klein deel van de reis van Den Haag (Mauritshuis, Escher, Mesdag!) naar Leerdam per touringcar afleggen (waarbij de chauffeur de weg niet wist en een medereiziger als navigator dienst moest doen). Op dit incident na liep alles die week echter perfect. De treinen, trams en bussen waren schoon, de informatieborden werkten goed, en het personeel was vriendelijk en behulpzaam. Ik begrijp van vrienden en familie dat ergernissen zich opstapelen wanneer je dagelijks van het openbaar vervoer gebruik maakt, maar zelfs dan valt het aantal keren dat het fout gaat voor zover ik weet in het niet bij de vele malen dat alles loopt zoals het hoort. Ik reis zelf bijna altijd met het openbaar vervoer in Nederland. In Israël heb ik bijna twintig jaar geleden mijn rijbewijs gehaald omdat je hier niet echt van bussen en treinen op aan kunt. Er is de laatste jaren veel verbeterd, maar het valt in het niet bij de kwaliteit van het openbaar vervoer in Nederland.

Een ander voorbeeld, de wegen. Die zijn hier in Israël schrikbarend slecht. De laatste jaren zijn vooral de snelwegen verbeterd, maar bij ons in de buurt ligt bijvoorbeeld de straat al ruim anderhalve maand open, en waar hij af is is het eindresultaat nog steeds krakkemikkig. Bij mijn vader om de hoek werd, in de kou en regen, in de week dat ik er was een vergelijkbaar stuk straat vervangen en verbeterd, wat resulteerde in een mooie, veilige weg die weer jaren mee kan. Israëliërs die Nederland bezoeken prijzen niet voor niets het wegennet in Nederland.

En dan de politiek. Tijdens mijn verblijf presenteerde de Commissie Oosting het rapport over de Teevendeal. Leugens, handjeklap en samenzweringen onder liberale bewindsleden, dat is waar, maar qua corruptie en onderhandse deals kunnen Nederlandse politici nog veel, heel veel leren van hun Israëlische collega’s. Dan heb je hier ook nog de zeer vele gevallen van sexuele intimidatie, die vooral in het politiekorps maar ook binnen de politiek voor veel opschudding hebben gezorgd. Zo kwamen deze week beschuldigingen tegen de Minister van Binnenlandse Zaken naar buiten. En tenslotte is daar de verstrengeling van staat en religie, en de inperkingen van democratische vrijheden. Terwijl de Minister van Justitie deze week pleitte voor meer ruimte voor de Joodse religieuze wetten binnen de rechtspraak, worden Israëlische mensenrechtenorganisaties en andere linkse groeperingen meer en meer in de verdachtenbank en het verdomhoekje geplaatst. Als je kritiek op het nederzettingenbeleid uit ben je al gauw een verrader, en ‘links’ is al jarenlang een scheldwoord. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de constante terreurdreiging, die niet alleen maar wel degelijk mede een gevolg is van dat nederzettingenbeleid.

Mijn collega, die gelukkig is met zijn vriend en hun kinderen, een relatief goed betaalde baan heeft en in een al met al welvarend en redelijk veilig land leeft, ziet Nederland als de hemel op aarde. Weliswaar slechts op basis van een week in en om Amsterdam, maar dat is een bredere indruk die de meeste buitenlanders van Nederland krijgen. Kun je nagaan wat voor idee van Holland Israëls buren, in de Palestijnse gebieden, Egypte, Libanon, en vooral Syrië hebben. Als je het objectief bekijkt, zelfs zonder te denken aan mensen die het minder goed hebben, dan is Nederland natuurlijk nog steeds een fantastisch land: zoveel natuurschoon, zoveel rijkdom (economisch, cultureel, historisch), zoveel rust en vrede en vrijheid, mooie infrastructuren die soms haperen maar meestal toch echt meer dan prima functioneren. Ondanks alle werkelijke problemen die Nederland vanzelfsprekend wel degelijk heeft, zou ik vooral de ontevredenen en verbitterden onder u in deze maand van bezinning en goede voornemens vanuit het Heilige Land dan ook één kerstgedachte willen meegeven: tel uw dagelijkse zegeningen, en beleg uw boterham eens wat vaker bewust met tevredenheid.

U allen wens ik een gelukkig en gezond, vreedzaam en bevredigend 2016.

Met vriendelijke groet,

Bert de Bruin