Het volgende, door mij aanvankelijk ongeveer een maand geleden geschreven en sindsdien ietwat aangepaste, artikel verscheen gisteren in het
Parool:
Het eenzijdige medeleven voorbij
Anja Meulenbelt, op Wim de Bie's weblog laatst ‘deskundige in het Palestina-Israël conflict’ genoemd, steekt een indrukwekkende hoeveelheid tijd en passie in haar betrokkenheid met het Palestijnse volk. In tegenstelling tot Gretta Duisenberg lijkt mevrouw Meulenbelt niet te worden gedreven door een ongezonde dosis verveling en behoefte aan zelf-promotie. Uit haar artikelen, boeken en preken spreekt een oprechte zorg voor het welzijn van de Palestijnen, en ze brengt haar preken ook in de praktijk. Wat zij evenwel met mevrouw Duisenberg en met veel andere supporters van deze of gene partij in ‘het conflict’ gemeen heeft is dat ze zich eenzijdig blindstaart op de kip-of-het-ei schuldvraag, haar steun aan het door haar uitverkoren volk soms vertaalt in een vergoeilijkende vereenzelviging met de motieven en doelstellingen van de extremere elementen binnen de met dat volk verbonden national(istisch)e bewegingen, en de meer gematigde oppositie onder Israëliërs en Palestijnen vaak geringschat of negeert.
Als senatrix Meulenbelt al over Israëlisch(-joods)e burgerslachtoffers schrijft is het vaak in een 'vreselijk..., maar...' stijl. Na een demonstratie van 40.000 kolonisten in Jeruzalem tegen het Gaza-plan van de regering Sharon schreef ze onlangs bijna triomfantelijk " Zoveel mensen krijgt de vredesbeweging niet op de been ", daarbij enkele van de grootste demonstraties in de geschiedenis van Israël ( o.a. 15 mei j.l. ; 4 november 1995 ) gemakshalve vergetend. Wanneer ze het heeft over "het beste deel van Israël, de mensen van het echte vredeskamp" geeft mevrouw Meulenbelt bovendien blijk van eenzelfde arrogantie als die van de joodse nationalisten die graag zouden bepalen wie de Palestijnen mag vertegenwoordigen. Mede hierdoor wordt het voor een deel van de activisten in Israël die een vreedzame twee-staten oplossing bepleiten ( veel van hen worden door de door Anja Meulenbelt zo bewonderde Uri Avnery minachtend ‘linkse Zionisten’ genoemd ) vrijwel onmogelijk om hun – op werkbare compromissen, niet op absolute rechtvaardigheid of ideale oplossingen gebaseerde – ideeën aan een achterdochtig Israëlisch publiek te verkopen.
Een van de grootste obstakels voor heuse veranderingen in Israël en Palestina is de angst voor een onzekere toekomst. Die angst beweegt beide volken ertoe met alle geweld vast te houden aan de ellendige werkelijkheid waarmee ze zo vertrouwd zijn geraakt. Hierdoor slagen non-leiders als Sharon en Arafat er steeds weer in de steun – hetzij van harte, hetzij bij gebrek aan beter – van een meerderheid van hun volk te krijgen, zodat ze hun corrupte en destructieve wanbeleid kunnen voortzetten. Tegelijkertijd kunnen de kolonisten rustig doorgaan met het creëren van facts on the ground, terwijl de fanatici aan Palestijnse kant genoeg hebben aan af en toe een geslaagde zelfmoordactie om hun duivelse Palestijns-Islamistische variant op Marx’ Verelendungstheorie te verwezenlijken.
De Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog ( 1954 – 1962 ) wordt regelmatig gebruikt als vergelijkingsmateriaal voor de strijd tussen Israel en de Palestijnen. Als er al iets van die oorlog geleerd kan worden is het dat hij verloren – of dat de vrede gewonnen – werd in het politieke midden in Frankrijk: zodra men daar inzag dat de bezetting meer kostte dan ze opleverde en men het zat werd om soldaten voor een verloren zaak op te offeren vond er een omslag in de Franse publieke opinie plaats. Het enige wat extremisten aan beide kanten bereikten in de tweede helft van de oorlog was het uitstellen van een onderhandelde vrede. Zo’n politiek midden bestaat in Israël ( ik veronderstel en hoop dat voor de Palestijnse maatschappij hetzelfde geldt ), het dient alleen geactiveerd te worden. Zolang echter de oppositie in Israel niet functioneert, onderling verdeeld is en nauwelijks op daadwerkelijke steun vanuit het buitenland kan rekenen, bepalen Sharon en zijn supporters-vijanden ter rechterzijde samen met Hamas en de Islamitische Jihad de politieke agenda.
Om Palestijnen en Israëliërs te helpen inzien dat ze weliswaar tot elkaar veroordeeld zijn maar dat die veroordeling geen vanzelfsprekend doodvonnis betekent, zelfs een zekere hoop met zich meebrengt, is brede internationale steun nodig. Die steun moet zo evenwichtig mogelijk zijn, en niet voornamelijk bestaan uit het onevenredig bevoordelen of veroordelen van één van de partijen in het conflict. De middelen die daarbij gebruikt kunnen worden zijn legio: economische en politieke hulp en pressie, advies en financiële hulp maar vooral ook publiciteit voor de gematigde plaatselijke oppositie en voor de vele plaatselijke NGOs die zich in Israël en de bezette gebieden bezighouden met overleg tussen uiteenlopende groepen joden en Palestijnen, projecten op het gebied van coëxistentie, ‘vredesonderwijs’, etc.
Pas wanneer de huidige non-leiders hun populaire mandaat verliezen, de fanatici die belang hebben bij voortduring en zo nu en dan escalatie van het conflict de mogelijkheid wordt ontnomen hun stempel op de dagelijkse werkelijkheid te drukken, en de meeste joden en Palestijnen – die heus vrede en een veilige en welvarende toekomst voor hun nageslacht willen, iets wat niet genoeg gezegd kan worden, ook al klinkt het vanzelfsprekend en lijkt de realiteit op iets totaal anders te wijzen – eieren voor hun geld zullen kiezen, komen die vrede en zo'n toekomst binnen handbereik. Het door onze ‘supporters’ steeds maar weer gevraagd en ongevraagd beantwoorden van de eeuwige schuldvraag, het goedpraten of doodzwijgen van het ‘eigen’ geweld tegen onschuldigen aan de ‘andere’ kant, en het negeren van verre van ideale maar desondanks realistische alternatieven werken in dit geval averechts, en dienen alleen de belangen van een minderheid van tegenstanders van wat voor vrede dan ook, belangen die al te lang het bestaan van joden, moslims en christenen hebben verziekt.