Thursday, November 03, 2005

Het volgende artikel, waarnaar ik gisteren verwees, stond gisteren in het Reformatorisch Dagblad.
Van Gogh en Rabin, 1(0) jaar later
Deze week herdenkt Nederland de moord op Theo van Gogh en is het precies tien jaar geleden dat Yitzhak Rabin in Tel Aviv werd doodgeschoten. Op het eerste gezicht hebben deze twee moorden, hun daders, slachtoffers, en de context waarin ze plaatsvonden weinig met elkaar te maken. Niettemin zijn er minstenst twee duidelijke paralellen te trekken tussen Israel op en na 4 november 1995 en Nederland op en na 2 november 2004. De belangrijkste overeenkomst is dat in beide gevallen de moordenaars in meer dan één opzicht hun zin kregen. Yigal Amir, de moordenaar van Rabin, kan helemaal tevreden zijn. Zijn wandaad schakelde de enige politieke leider uit die destijds genoeg steun bij de Israëlische bevolking had kunnen krijgen voor verregaande concessies tegenover de Palestijnen. Het al zo wankele vredesproces werd totaal verlamd, iets wat niet alleen op Amir's conto kan worden geschreven maar waaraan hij wel degelijk een belangrijke bijdrage heeft geleverd. Alle hoop op een min of meer werkelijk vreedzame, onderhandelde oplossing voor 'het' conflict – een gruwel in de ogen van alle extremisten, joods en Palestijns – is sindsdien eigenlijk vervlogen. Pas tien jaar later lukte het Ariel Sharon, in 1995 ironisch genoeg één van de belangrijkste politieke tegenstanders van Rabin, met veel pijn en moeite om Israël uit slechts een klein deel van de bezette gebieden terug te trekken. Het hele terugtrekkingsproces liet zien hoe weinig de joodse staat na die zaterdagavond in Tel Aviv geleerd heeft. Het wezenlijke gevaar van Rabin's moordenaar en van het milieu waarin zijn ideeën tot wasdom kwamen wordt nog steeds onderschat, en zijn ideologie wordt vrijelijk de wereld ingestuurd, zij het bij monde van zijn familie of van deze of gene religieuze leider, of via websites zoals de homepage van de familie Amir. Begin deze week nog kon de moeder van Yigal Amir op de televisie zeggen dat Rabin zijn lot in feite verdiende, en dat haar zoon dus veel te zwaar gestraft is. Ook werden voor en tijdens de terugtrekking uit Gaza verbale en fysieke uitingen van grof geweld niet of nauwelijks serieus genomen. Veel van de rechtse militanten die soldaten, politieagenten, ambtenaren of politici bedreigden of aanvielen gingen vrijuit. Niet minder dan 20 % van de Israëlische bevolking is er voorstander van om Yigal Amir gratie te verlenen. Ook Mohammed Bouyeri kan zeggen dat zijn misdaad vruchten heeft afgeworpen. De vervreemding tussen de Nederlandse maatschappij en een belangrijk deel van de in Nederland wonende moslims is groter geworden. Polarisatie, iets waar vrijwel elke terrorist op uit is, werd meer dan voorheen een sleutelwoord in veel discussies over de multiculturele maatschappij. Veel intellectuelen lijken zich in sommige gevallen meer dan eens te bedenken voordat ze moslims op hun tenen trappen. Terwijl meteen na de moord slechts een derde van de bevolking in Nederland dacht dat Theo van Gogh het noodlot toch wel een beetje over zichzelf had afgeroepen is dat nu de helft. Wat terreurdreiging betreft schippert de regering tussen een levensbedreigende onderschatting en overdreven hysterie. Het tweede – gevaarlijkste – element dat de twee moorden en hun nasleep gemeen hebben wordt gekenmerkt door wat ik een ‘ problematisch maar ’ noem. In Israël wordt door zo goed als alle burgers en hun politieke en religieuze leiders moord als politiek wapen afgekeurd. Desondanks kun je regelmatig rechtse Israëliërs horen zeggen dat je iemand niet om zijn politieke ideeën of daden mag doden, maar dat Rabin en Sharon natuurlijk wel bij veel mensen enorme woede, verdriet en frustratie hebben gewekt met hun ‘verraad’ jegens het Land Israël en hun ‘toegeeflijkheid’ naar de Palestijnen toe. Sommigen klinken bijna hoopvol als ze waarschuwen voor een extremist wiens frustraties tot de volgende politieke moord kunnen leiden. Evenzo in Nederland, ik schreef het hierboven al. Maar al te vaak wordt er gezegd, ook door vrij denkende en alom gerespecteerde geesten: "Je mag niemand om zijn ideeën vermoorden, maar die Van Gogh schoffeerde moslims toch ook wel heel bewust." Dit maar zorgt voor problemen, het geeft namelijk in beide gevallen aan dat er in wezen geen grens is die niet mag worden overschreden in iemands streven naar politieke doeleinden in een democratische maatschappij. Het is zowel in Israël als in Nederland de taak van de overheid – en in zekere zin ook van de media – om duidelijk te maken dat bepaalde dingen gewoon niet mogen en kunnen, ook niet in een religieus kader. Iedereen die aanzet tot politiek of religieus geweld moet juridisch hard worden aangepakt. Politieke en religieuze extremisten monddood maken heeft geen zin en kan zelfs averrechts werken, maar media moeten er wel voor waken om als spreekbuis voor zulke fanatici te dienen. De grens tussen vrije meningsuiting en verbaal politiek geweld moet door de overheid duidelijker worden afgebakend. Met een doorgedraaid individu kunnen de meeste Westerse maatschappijen nog wel omgaan zonder terreur de overwinning te gunnen. Dat wordt echter een stuk moeilijker als de mensen die de moed missen om 'daden te stellen' maar die zulke daden wel openlijk aanmoedigen of toejuichen niet worden aangepakt, of als begrip voor terreurdaden salonfähig wordt.

No comments: