Wednesday, December 06, 2006

Als het goed is ( het eerste stuk staat op de website van de krant, maar daar staat altijd maar een klein deel van wat in de krant zelf te vinden is ) staan de volgende twee artikelen deze week in het Friesch Dagblad.
In Beiroet begint de vrede?
Bijna vier maanden na het einde van wat in Israël de Tweede Libanon-oorlog heet blijkt wederom dat de voortdurende provocaties van Hezbollah die tot die oorlog leidden deel uitmaken van een groter geheel. Het lot van Libanezen, Palestijnen en Israëliërs lijkt niet zozeer in Beirut, Gaza, Ramallah en Jeruzalem te worden bepaald, als wel in Damascus en Teheran. Iedere keer dat daar om wat voor reden dan ook wordt besloten dat het tijd is voor een escalatie vallen de raketten in het zuiden of noorden van Israël, raken onderhandelingen over de vrijlating van Palestijnse gevangenen en ontvoerde Israëlische soldaten in het slop, en worden prominente, anti-Syrische Libanezen omgebracht. Bij de demonstraties tegen de Libanese regering domineren de kleuren geel, van Hezbollah, en oranje, van de supporters van Michel Aoun, de belangrijkste christelijke ( maar 'oecumenische' ) tegenstander van de regering Siniora. Aoun was ironisch genoeg tot vorig jaar vanuit Franse ballingschap een van de belangrijkste tegenstanders van de Syrische aanwezigheid in Libanon. Het gebruik van de kleur oranje bracht een buitenlandse journalist tot een serieuze vergelijking met de revolutie in Oekraine, die uiteindelijk tot de verkiezing van Viktor Joesjtsjenko leidde. Niet echt passend, zo'n vergelijking. Je hoeft niet aan de Israëlische kant van de grens te wonen om te vermoeden dat er weinig spontaans is aan de demonstraties in de Libanese hoofdstad. Als de demonstranten en degenen die hen de straat op sturen al democratische bedoelingen hebben, dan zijn dat de bedoelingen van de schrik van de buurt die eindelijk kans ziet om zijn wil aan de buurt op te leggen. De gebeurtenissen in Beiroet worden niet alleen in Jeruzalem maar ook in Amman, Cairo en elders met spanning gevolgd. Een as Iran-Irak-Syrie-Libanon is niet alleen voor Israël een nachtmerrie-scenario. De machtsverhoudingen in Libanon zijn wankel, een resultaat van compromissen en Realpolitik, vastgelegd in het mondelinge Nationale Pact ( 1943 ) en vanaf 1990 in de grondwet. De meeste van de achttien officiële ethnisch-religieuze bevolkingsgroepen waaruit Libanon bestaat hebben een vast aantal plaatsen in het parlement. Daarnaast moet de president een maronitische christen zijn, de voorzitter van het parlement een sji'itische moslim, en de premier een soennitische moslim. Dat die machtsverdeling ietwat kunstmatig is en niet de exacte huidige demografie van het land weerspiegelt betekent natuurlijk niet dat ze onder het mom van democratie zomaar met geweld overboord gegooid moet worden. Wat Syrië en Iran nog niet gelukt is door middel van politieke moorden en een heuse oorlog wordt nu langzaam maar zeker verwezenlijkt door politieke manoeuvres, aggressieve toespraken en publiek machtsvertoon van Hezbollah. Het is de vraag of bekend zal worden wie verantwoordelijk is voor de meest recente moord op een opponent van Syrische inmenging in Libanon, maar de gewelddadige dood van Pierre Gemayel jr. dient zonder enige twijfel de belangen van Hezbollah en diens broodheren. Het voortbestaan van de Libanese regering hing na het aftreden van de Hezbollah-ministers af van de steun van twee ministers. Gemayel's dood verminderde die steun met vijftig procent, waardoor de regering Siniora nog verder verzwakt werd tegenover de bullebak Hassan Nasrallah. Wat alles nog veel triester en zorgwekkender maakt is het veelzeggende feit dat terwijl Libanon in de richting van een nieuwe burgeroorlog wordt gestuurd, de VN er bij staat en er naar kijkt, zonder ook maar één vinger uit te steken. De internationale troepenmacht keek toe hoe Hezbollah in een paar maanden zijn wapenarsenaal tot vooroorlogse sterkte heeft teruggebracht. In New York en Genève is men druk met het veroordelen van Israël maar wordt voorbijgegaan aan de manier waarop de regimes van Bashar al-Assad en Mahmoud Ahmadinejad de wederopbouw van Libanon saboteren en elke mogelijke toenadering tussen Israël en de Palestijnen nog moeilijker maken dan ze al is. Internationale bemoeienis met het Palestijns-Israëlische conflict is hard nodig, maar het is zinloos om over een oplossing voor dat conflict te praten zonder Damascus en Teheran ter verantwoording te roepen. De pogingen van Iran om nucleaire wapens te bemachtigen en van het bewind in Syrië om politiek te overleven houden regelrecht verband met de politieke crisis in Libanon ( en Israël ), de mislukte pogingen om tot een Palestijnse regering van nationale eenheid te komen, de schendingen van de 'wapenstilstand' rond Gaza, enz., enz. Een vredesplan voor het Midden-Oosten dat wil slagen moet uitgaan van een soort holistische benadering. Een oplossing voor de crisis in Libanon brengt een einde van het Palestijns-Israëlische conflict dichterbij en verzwakt de grootste versjteerders in de regio. Er bestaat in deze context een zekere paradox. Enerzijds zullen Israël, Libanon en de Palestijnse regering moeten inzien dat ze hun eigen problemen binnenshuis en met elkaar moeten oplossen, d.w.z. zonder directe inmenging vanuit Damascus en Teheran. Aan de andere kant is tot nu toe gebleken dat de drie meest centrale spelers en slachtoffers van 'het conflict' niet in staat of bereid zijn om hun boontjes helemaal zelf te doppen. Bemoeienis van buitenaf is dus wel degelijk gewenst en onvermijdelijk: met goed gecoördineerde, gebalanceerde en vastberaden politieke druk en ( vooral economische ) steun kunnen ze worden overgehaald of gedwongen om de noodzakelijke knopen door te hakken. Ondanks het falen van Annan c.s. kunnen de betrokken partijen daarbij niet om de VN heen, al zal de meest actieve buitenstaanders-rol zijn weggelegd voor Europa, de VS en een aantal 'gematigde' Arabische landen.
Naschokken
Vorige week las ik dat de schade die de Hezbollah-raketten afgelopen zomer in Qiryat Shmonah, een van de zwaarst getroffen Israëlische steden tijdens de oorlog, aan gebouwen aanrichtten voor een aanzienlijk deel hersteld is. In Nesher, waar ik woon, is een huis door een directe inslag grotendeels verwoest. Toevallig bracht ik onze 7-jarige dochter afgelopen week naar een vriendinnetje dat naast dat huis woont. De verherbouwing verloopt zo te zien voorspoedig. In Haifa kun je eveneens nog de fysieke gevolgen van de oorlog zien, maar ook daar moet je de stad goed kennen om te weten en te zien waar de raketten zijn ingeslagen. In Beiroet zullen de materiële littekens ongetwijfeld nog veel langer te zien zijn. Ook de politieke naschokken worden daar nu nog dagelijks gevoeld, en als Hezbollah zijn zin krijgt zal de oorlog uiteindelijk voor een aardverschuiving zorgen die niet alleen in Jeruzalem wordt gevreesd. In Israël breiden de politieke naschokken van de oorlog zich iets geleidelijker uit dan in Libanon, maar ze zijn zeker zo voelbaar. Toen Ehud Olmert aan het begin van dit jaar zijn regering samenstelde eiste Amir Peretz, de nieuwe leider van de Arbeidspartij, het ministerie van defensie op. Het was, zeker gezien de nadruk die de Arbeidspartij tijdens de verkiezingscampagne had gelegd op sociaal-economische onderwerpen, logischer geweest als hij minister van financiën was geworden. Vrijwel alle vorige ministers van defensie hadden hun belangrijkste sporen als soldaat of op een aan defensie gelieerd gebied verdiend. Amir Peretz, 'slechts' kapitein in het leger, is en blijft vooral een vakbondsman, en net als Olmert, die jurist is en pas officier werd toen hij al lid van de Knesset was, staat hij niet bepaald als militair deskundige bekend. De oorlog bracht aan Israëlische zijde fundamentele gebreken aan het licht op het gebied van tactiek en strategie, bevelstructuren, communicatie, training en materieel. Die gebreken zijn natuurlijk niet vandaag of gisteren ontstaan. Het is de vraag of een meer ervaren en militair deskundige premier en minister van defensie grotere successen zouden hebben geboekt, maar het gebrek aan ervaring van het duo Olmert-Peretz werd na de oorlog vanzelfsprekend wel als één van de belangrijkste wapens tegen hen gebruikt. Naast Olmert en Peretz kreeg Dan Halutz, de opperbevelhebber van het leger, zware kritiek te verduren. Behalve arrogantie wordt ook Halutz, voormalig commandant van de luchtmacht, een gebrek aan "heuse legerervaring" verweten. Wat het geheel ingewikkelder en ondoorzichtiger maakt ( en wat een al niet prettige bijsmaak nog wranger maakt ) is het feit dat sommigen de oorlog misbruiken om politieke en persoonlijke rekeningen te vereffenen. Dat geldt niet alleen voor de politiek zelf, maar helaas ook voor het leger. Olmert en Halutz – Amir Peretz in mindere mate: anderhalf jaar geleden zat hij nog in de oppositie – worden samen met Ariel Sharon als de hoofdverantwoordelijken ( of –schuldigen, het is maar hoe je het bekijkt ) voor de terugtrekking uit Gaza gezien. Rechtse politici, die bij de laatste verkiezingen hun verzet tegen de terugtrekking niet met een werkbare meerderheid in de Knesset beloond zagen, proberen nu alsnog hun politieke gelijk te krijgen. Zij vormen langzaam maar zeker een niet echt homogene maar numeriek sterke oppositie, samen met de geëvacueerde kolonisten, de directe Israëlische slachtoffers van de oorlogen in Libanon en Gaza, en alle Israëliërs die niet per se rechtse sympathieën hebben maar gewoon teleurgesteld zijn in hun krachteloze, corrupte non-leiders en hopeloos worden door de uitzichtloze situatie waarin Israëliërs en Palestijnen zich bevinden. Binnen het leger zijn het vooral persoonlijke frustraties en onvervulde ambities die voor spanningen zorgen. Verschillende commissies zijn benoemd om te bepalen wat er mis ging. Een klein aantal hoge officieren hield de eer aan zichzelf en nam ontslag. Tientallen reserve-generaals hebben commentaar en advies gegeven, gevraagd en ongevraagd, in de media of binnenskamers. Bij de woorden van elk van deze deskundigen moet echter rekening worden gehouden met de manier en het moment waarop hij afgezwaaid is, zijn verhouding tot de leden van de huidige generale staf in het algemeen en tot Dan Halutz in het bijzonder. Een voorbeeld: de benoeming van Moshe Ya'alon, Halutz' voorganger, werd destijds niet verlengd, en hij stak zijn woede en frustratie – zeker niet alleen persoonlijk maar ook niet uitsluitend professioneel – sindsdien niet onder stoelen of banken. De positie van de drie belangrijkste Israëlische beleidsvormers tijdens de Libanon-oorlog is wankel, maar het valt niet te zeggen of ze volkomen onhoudbaar zal worden. Hopelijk zullen we over een jaar of wat kunnen vaststellen dat de nasleep van de oorlog vooral bestond uit het likken van wonden, het ijveren voor de vrijlating van de ontvoerde soldaten, het leren van belangrijke lessen en het doordrukken van noodzakelijke veranderingen op diplomatiek-politiek terrein, in de Israëlische maatschappij en het leger. Het lijkt niet zozeer de vraag óf maar eerder wanneer er weer een oorlog zal uitbreken, en de binnenlandse verdeeldheid bedreigt Israëls veiligheid veel meer dan alle vijanden van buitenaf bij elkaar. Helaas is er een redelijke kans dat ook nu weer de gekwetste en opgeblazen ego's van de politici en legerleiders het van het algemeen belang zullen winnen.

No comments: