Wednesday, April 01, 2009

Het kabinet Bibi II

Het volgende artikel stond gisteren in het Friesch Dagblad. Als ik niet wist dat Binyamin Nethanyahu er zelf voor gekozen heeft om weer premier van Israël te willen worden, zou ik bijna medelijden met de beste man hebben. Jaloers op hem ben ik zeker niet. Israël bevindt zich in een ontzettend lastig binnenlands, regionaal en internationaal parket (nee, ik ga hier niet de schuldvraag stellen, laat staan beantwoorden), en alsof die situatie niet voor meer dan voldoende hoofdpijn zorgt, moet Nethanyahu haar ook nog eens het hoofd bieden met een coalitie waarbinnen diverse totaal tegengestelde ego's en belangen op elkaar lijken te botsen. Dat het ruim anderhalve maand duurde om de nieuwe regering te vormen, en dat aan de bouw van deze coalitie het duurste prijskaartje (i.v.m. beloftes aan de coalitiepartners) ooit hangt, zegt veel. Maar nogmaals, niemand heeft Bibi gedwongen om zijn kansen als premier nog een keer te wagen. Mededogen is dus overbodig. Bezorgdheid niet. Meteen na de verkiezingen voorzagen sommige commentatoren een schrikbeeld-coalitie van Likud plus alle ultra-rechtse en religieuze partijen, samen goed voor 65 van de 120 Knessetzetels. Het was duidelijk dat de grootste partij, Tzipi Livni's Kadima (met 27 zetels, één meer dan de Likud) geen regering zou kunnen vormen: de meeste parlementariërs zouden tegenover president Peres waarschijnlijk ‘Bibi’, en niet Tzipi, aanbevelen als regeringsformateur. Dat gebeurde inderdaad. Een coalitie van Likud, Kadima en de Arbeidspartij (67 zetels) was volgens velen weliswaar ideaal maar onwaarschijnlijk, vooral omdat zowel Nethanyahu als Livni het recht op het spelen van de eerste viool claimden. Livni koos in mijn ogen terecht voor de oppositie, al zal haar partij in de oppositie zo goed als zeker steun verliezen: veel Kadima-prominenten zijn voormalige leden van de Arbeidspartij en Likud die destijds vooral voor de nieuwe partij kozen om van de regeringstaart mee te snoepen. Regeringspluche houdt zo'n partij beter bijeen dan de bekleding van de oppositiebanken. Het is nog niet bekend wat de coalitieafspraken precies inhouden. Wel heeft de portefeuilleverdeling voor veel wrijving en wrok gezorgd binnen Likud en de Arbeidspartij, en zorgde het besluit tot regeringsdeelname bij die laatste partij bijna voor een splitsing. De kinnesinne en ergernissen zijn veelal ‘afgekocht’ met regeringsportefeuilles. De regering (in principe gesteund door 69-74 Knessetleden) is dan ook belachelijk groot: ruim dertig kabinetsleden namens vijf, wellicht zes, partijen. Dat wil zeggen dat ongeveer de helft van de 69-74 Knessetleden waarop de regering in principe steunt in diezelfde regering zit. Mede om de onvrede binnen eigen gelederen te beperken maakte de nieuwe premier pas maandag, één dag voor de beëdiging van de regering, bekend wie minister of staatssecretaris van wat wordt. De Arbeidspartij wordt niet geheel onterecht wel het vijgeblad van Bibi genoemd. Het belangrijkste excuus van de Knessetleden en andere prominenten die Barak hierbij steunden (“Wij voorkomen op deze manier de vorming van een extreem-rechtse regering”) vraagt haast wel om cynisme. Dat de Arbeidspartij er in haar eentje voor kan zorgen – zo ze dat zou willen – dat wat er over is van het vredesproces een succesvol vervolg krijgt lijkt onwaarschijnlijk. Is er naast cynisme en bezorgdheid geen enkele reden voor optimisme? Toch wel. Het moet niet bij voorbaat worden uitgesloten dat Binyamin Nethanyahu en Avigdor Lieberman uiteindelijk besluiten dat er een Palestijnse staat kan of zelfs moet komen. De Amerikaanse president gaf vorige week precies aan hoe het zit, toen hem werd gevraagd of een rechtse regering in Israël het sluiten van vrede zal bemoeilijken: “Het is niet makkelijker dan het was, maar ik denk dat het nog even noodzakelijk is.” President Obama maakte ook duidelijk dat de huidige status quo onhoudbaar is, en dat zijn regering haar best zal doen om een Palestijnse staat te bouwen die in vrede en veiligheid naast Israël zal bestaan. Israëls nieuwe premier en zijn minister van Buitenlandse Zaken zijn realistisch genoeg om te beseffen dat ze niet eeuwig tegen de haren van Washington (en, in mindere mate, Brussel) in kunnen strijken, als ze dat al van plan waren. Ik heb het idee dat de twee, met hun terechte maar vooral ook zorgvuldig gecultiveerde nationalistische image, minder dan Ehud Olmert en Tzippi Livni de noodzaak voelen om zich tegenover de uitgesproken rechtse Israëlische kiezers (minder dan 55%, volgens de verkiezingsuitslag) te bewijzen, maar daarentegen een zeer sterke behoefte hebben om legitimatie in het buitenland te verkrijgen. Bibi heeft er niet voor niets alles aan gedaan om de zeer extremistische Nationale Unie (4 zetels) buiten de deur te houden en de Arbeidspartij te laten meeregeren. Bij vrijwel elk besluit dat vrede of minstens een overeenkomst met de Palestijnen dichterbij brengt zal Nethanyahu op tegenstand binnen de coalitie maar daarnaast op steun van Kadima en de linkse (en Arabische) Knessetleden kunnen rekenen. Bibi wekt de indruk dat hij – in zekere zin net als Menachem Begin, die zijn plaats in de historie vooral verdiende door vrede met Sadat's Egypte te sluiten – graag door de internationale gemeenschap als staatsman serieus genomen wil worden. Gedurende de afgelopen jaren heeft hij tegenover vriend en vijand continu benadrukt dat hij van zijn fouten geleerd heeft. Over een aantal jaren zullen we weten of hij de kiezers bij de neus genomen heeft, of dat hij werkelijk veranderd is, en zo ja, of het een verandering ten goede betrof.

No comments: