Tuesday, October 27, 2009

Het leven in Israel

Het volgende artikel staat vandaag in het Friesch Dagblad.
In Israël is het leven niet meer wat het geweest is
Onlangs werden in een uitgebrand huis in Rishon LeTzion, een stad ten zuiden van Tel Aviv, de vermoorde lichamen van vrijwel de hele familie Ushrenko (ouders, zoon en schoondochter, twee jonge kleinkinderen) gevonden. De dader of daders zijn nog niet geïdentificeerd, er wordt gezien de wreedheid waarmee drie generaties zijn omgebracht gespeculeerd over betrokkenheid van de Kaukasische maffia. Eerlijk gezegd moest ook ik meteen aan Keyser Söze, uit The Usual Suspects (1995), denken. De afgelopen jaren is Israël meerdere malen opgeschrikt door brute moorden, zelfs van kinderen. Wat echter nog meer opvalt is het aantal kinderen dat in diezelfde jaren omkwam als gevolg van pure nalatigheid: babies die in een auto zijn achtergelaten, een meisje dat werd doodgebeten door een levensgevaarlijke hond, jonge verkeersdoden bij ongelukken die makkelijk voorkomen hadden kunnen worden.
In het jodendom en de Joodse staat is het leven altijd gekoesterd en heeft het altijd een vrijwel absolute waarde gehad. Ik heb zo mijn twijfels of dat nog steeds geldt voor Israël vandaag de dag. Als er hier al ooit zo’n onvoorwaardelijk respect voor het menselijke leven was, dan lijkt dat respect erg te zijn uitgehold. Enerzijds lijkt dit deel uit te maken van een wereldwijde trend, en is het grotendeels een gevolg van ontwikkelingen waaraan Israël niet echt of helemaal geen schuld heeft. Toch is het ook deels te wijten aan enkele al dan niet bewust gemaakte besluiten van de militaire, politieke en religieuze leiders van het land. Sinds september 2001 zijn de meeste mensen in de wereld zich ervan bewust dat (Islamistische) terreur iedereen altijd en overal kan treffen. In Israël, waarop de terroristen veel van hun haat richten en dat ondanks een neiging tot individualisme nog steeds in veel opzichten een bonte verzameling van hechte gemeenschappen is, is dit bewustzijn veel dieper geworteld dan elders. Zoveel mensen zijn hier vermoord of gewond geraakt tijdens gewone dagelijkse bezigheden dat velen van ons “de dood als een manier van leven” (de titel van een verzameling artikelen van David Grossman) of op zijn minst als een acceptabel deel van het leven zijn gaan beschouwen. Tijdens hun militaire dienst worden Israëlische jongens en meisjes getraind om enorme verantwoordelijkheden op zich te nemen waar het gaat om de levens van hun kameraden en die van de mensen die aan de ander kant van de scheidingslijn van ‘het conflict’ leven. Bewust en onbewust beslissen kinderen van 18 of 19 niet zelden of een man – of soms een vrouw of kind – in leven en gezond zal blijven of zal worden verwond of gedood. Terwijl ik jaren geleden een interview met een paar soldaat-sluipschutters las, raakte ik enorm onder de indruk van hun vaardigheden. Tegelijkertijd dacht ik “Mijn G’d, hoe kan van hen verwacht worden om steeds weer een onderscheid te maken tussen hun leven binnen en buiten de militaire werkelijkheid?”. Door het gemak waarmee sommige politici en veiligheidsdeskundigen praten over de beschikbaarheid van militaire oplossingen voor zowel militaire als politieke problemen is het voor ons bijna vanzelfsprekend geworden dat de kortste weg van een probleem naar zijn oplossing het fysiek uit de weg ruimen van het probleem is. Door te praten in termen van het elimineren of liquideren van problemen maken we de dood een heel normaal deel van onze dagelijkse routine. Regelmatige berichten over de liquidatie van terroristen, over de onbedoelde dood van een Palestijns kind, of over de gewelddadige dood van slachtoffers van Palestijnse terreur vergroten onze ongevoeligheid wat betreft het hele begrip ‘dood’. Twee oorlogen in de afgelopen drie jaar zorgden niet alleen voor afschuw, angst en verdriet, maar misschien ook wel voor nog meer gewenning. Tenslotte heeft een aantal rabbijnen en andere gemeenschapsleiders een onvoorwaardelijke waarde aan elke vierkante centimeter van het Land Israël toegeschreven, een waarde die door sommigen als hoger dan van het leven zelf wordt geïnterpreteerd. Dr. Hagi Ben-Artzi – de fanatieke en ietwat excentrieke zwager van Binyamin Nethanyahu – zei zelfs in Ha’Aretz, ruim een jaar voordat Israël zich uit Gaza terugtrok: “Het einde van (het bouwen van) nederzetting(en) in Gush Katif (het belangrijkste nederzettingenblok in Gaza, BdB) is het einde van het geestelijke leven. En wanneer je het einde van het geestelijke leven bereikt, heeft het lichamelijke leven geen zin meer.” In het hedendaagse Israël lijkt het leven zijn absolute waarde te hebben verloren en schijnt het in plaats daarvan een relatieve betekenis te hebben gekregen. Veel Israëliërs zien zowel het leven als de dood als te vanzelfsprekend. Dit leidt gemakkelijk tot nalatigheid en ongevoeligheid. Zou het kunnen dat de ‘nonchalante’ dood van zoveel kinderen in de laatste jaren op de een of andere manier verband houdt met het erosieproces dat ervoor zorgde dat de Israëlische maatschappij langzaam maar zeker het oorspronkelijke joodse concept van menselijk leven als de hoogste waarde heeft laten varen? Als dat zo is, zijn al die onnodige doden – moge hun nagedachtenis tot zegen zijn – in zekere zin net zozeer slachtoffer van ‘het conflict’ als Afik Zahavi z"l, een driejarig jongetje dat ruim vijf jaar geleden werd gedood in Sderot door een vanuit Gaza gelanceerde Qassam-raket.

No comments: