Thursday, December 10, 2009

Nobel

Het volgende artikel staat vandaag in het Reformatorisch Dagblad. Het is een volledig geupdeete en ietwat ingekorte versie van een stuk van mij dat een aantal jaren geleden in The Jerusalem Report verscheen. De boodschap van het artikel is nog immer zeer actueel. Bovendien is 'mijn' thesis in alledrie de jaren sinds de Nobelprijs-toekenningen van 2006 steeds bevestigd: telkens weer bevond zich onder de winnaars een disproportioneel aantal 1/2/3e generatie imm/emigranten.
Een nobel vluchtelingenbeleid
Net zoals anti-semieten graag 'bewijzen' dat Joden de wereld of delen ervan beheersen benadrukken wijzelf soms maar al te graag 'onze' bijdragen aan de mensheid. Op de website www.jinfo.org kun je lijsten vinden met titels als "Joden in het schaken", "Joden in de sociologie", en natuurlijk "Joodse Nobelprijswinnaars". Volgens de website is 22 % van alle winnaars Joods of "half-joods", al vormen we slechts 0.25 % van de wereldbevolking. Interessanter dan dergelijke ethnisch-religieuze – of racistische – statistieken is het feit dat zoveel Nobelprijswinnaars, Joods en niet-joods, afstammen van emigranten of zelf ooit emigreerden. De biografieën van de winnaars van deze prijs der prijzen, die je kunt lezen op http://nobelprize.org, zijn erg boeiend. Alles bij elkaar hebben sinds 1901 802 personen de prijs gewonnen. Laten we ons beperken tot de 603 winnaars van de prijzen voor scheikunde, natuurkunde, geneeskunde, en economische wetenschappen. De keuze voor winnaars van de prijzen voor literatuur en vrede is zelden objectief en heeft regelmatig tot hevige discussies geleid. In veel van de levensverhalen lezen we dat de wetenschappers, hun ouders, groot- of voorouders emigreerden – vaak richting de Verenigde Staten, maar ook naar Groot Brittannië, Frankrijk, Israël en andere landen – op zoek naar een beter of veiliger leven. Ik vond minstens 158 winnaars die zelf om de een of andere reden hun geboorteland voorgoed verlieten, 54 wier ouders emigranten waren, en 26 van wie de grootouders emigreerden. Amerikanen – zo goed als allemaal nazaten van landverhuizers – vormen de absolute meerderheid van wetenschappers wier biografie geen specifieke melding van migratie maakt. Een aantal Nobelprijswinnaars overleefde de Holocaust. Sommige van hen – bijvoorbeeld Robert Aumann (Economie 2005) – vluchtten, als volwassene of op jonge leeftijd, vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog naar Amerika of Engeland. Anderen, waaronder Rita Levi-Montalcini (Geneeskunde 1986), en Avram Hershko (Scheikunde 2004), overleefden de oorlog in bezet Europa. Maar niet alleen Joden spelen de rol van vluchteling in de biografieën. Zo waren de voorouders van minstens drie laureaten Hugenoten die op de vlucht voor religieuze onderdrukking naar de Nieuwe Wereld kwamen. Ook zijn niet alle migranten vluchtelingen. Vaak verhuisde een wetenschapper of –ster naar een buitenland (wederom, meestal de Verenigde Staten) simpelweg vanwege zijn of haar academische carrière. Natuurlijk vormt het werk dat deze 603 personen tot Nobelprijswinnaars maakte slechts een klein deel van uitmuntende menselijke inspanningen en prestaties in de afgelopen 109 jaar. En vanzelfsprekend waren en zijn niet alle migraties een onbetwiste zegening voor de migranten zelf of voor de landen waar ze terecht kwamen. Toch lijken de levensgeschiedenissen van de prijswinnaars te suggeren dat er een verband bestaat tussen aan de ene kant intellectuele vrijheid, religieus-politieke tolerantie en gastvrijheid van een land, en zijn economische, wetenschappelijke en culturele bloei aan de andere kant. Dat meer dan 273 van de 603 winnaars Amerikanen zijn kan nauwelijks toeval zijn. Afgezien van wat dit zegt over Amerikaanse universiteiten en onderzoeksinstellingen, het zou zeker ook te maken kunnen hebben met het feit dat de Verenigde Staten (nog steeds) een immigrantenland is. Amerika is niet het enige voorbeeld. De bloei van de economie en het culturele leven in de Verenigde Nederlanden in de Gouden Eeuw hield direct verband met de Joodse, protestantse en andere vluchtelingen die in de Republiek een veilig en relatief verdraagzaam heenkomen zochten en vonden. Iets soortgelijks geldt voor de geschiedenis van de Islam: daarin valt zeker een samenhang tussen tolerantie en bloei waar te nemen. Tegenwoordig zien velen in het Westen immigranten – en dan vooral de moslims onder hen – als een last en bedreiging, en niet als een bron voor 'vers bloed' die onze maatschappijen kan inspireren en versterken. Een economische recessie en vastgeroeste ideeën maar ook Islamistische terreur en een schijnbaar gebrek aan aanpassingsvermogen onder sommige moslims zijn daar debet aan. Desondanks zouden de Verenigde Staten en andere Westerse landen niet aan de terreur moeten toegeven door zichzelf tot ontoegankelijke vestingen om te toveren. Vanzelfsprekend moeten we voorkomen dat terroristen de toegankelijkheid en verdraagzaamheid van onze maatschappijen misbruiken, maar we moeten ons realiseren dat die eigenschappen twee van onze machtigste wapens zijn, die gekoesterd en verdedigd dienen te worden en niet mogen worden opgeofferd in onze strijd tegen de terreur. Wanneer we andermans fanatisme onze eigen tolerantie en gastvrijheid laten aantasten worden wij zwakker en scoren terroristen belangrijke punten.

No comments: