Saturday, November 27, 2010

Wow

This beautiful song, almost an indictment, sung by Mirjam Krieg, the now 80-years-old daughter of the composer, was written in 1947 by the German/Dutch-Jewish conductor-composer Hans Krieg (1899-1961). In a very direct, biting and moving way the song's author asks "Where are the Jews of our Amsterdam?". I came across the video through the website of the Dutch daily Het Parool. The song was considered lost until the sheet music was found in the attic of Mirjam Krieg.

Friday, November 12, 2010

November 11

Yesterday one of our best friends, the 'third grandfather' of our children, called me from California. While watching television he saw a report on Veterans' Day, and he was reminded of this time of year seven years ago, when he came to visit me, my wife and our - then - two kids while we were living near Paris. On November 11th he and I watched the beautiful and impressive ceremony that takes place every year around the Arc de Triomphe. Above you see two of the pictures that I took with my first digital camera, which he bought for me in the States and brought with him to France.

Ludovici Einaudi - I Giorni

One of the many wonderful compositions of Ludovici Einaudi. I have three of his albums, and the best-of-compilation that I made of them is one of my absolutely favorite CDs.

Wednesday, November 10, 2010

Onverkoopbaar

Het volgende artikel stond eerder deze week in het Friesch Dablad. Er is al jarenlang veel mis met het imago van Israël. Er zijn daarvoor tal van redenen aan te wijzen. Bin Laden en anderen zijn er in geslaagd sommige wereldburgers ervan te overtuigen dat Israël de bron van bijna alle ellende in de wereld is. Ook zijn er mensen die altijd al een broertje dood hebben gehad en zullen blijven hebben aan Joden in het algemeen en aan de Joodse staat in het bijzonder. Als het om hasbara – het uitleggen van en begrip vragen voor Israëls positie en handelen – gaat zijn dergelijke mensen niet echt het publiek waar Israëls woordvoerders en pleitbezorgers hun pijlen op hoeven te richten. Waar echter de grootste omslag lijkt te hebben plaatsgevonden – zo niet feitelijk dan toch zeker gevoelsmatig – is dat deel van de publieke opinie dat altijd wél warm liep voor Israël, of op zijn minst zonder al te veel moeite begrip kon opbrengen voor dat land. Dat het in die hoek de laatste jaren faliekant fout gaat moeten Israël en zijn meest actieve supporters toch vooral zichzelf aanrekenen. Een voorbeeld. Begin vorige maand werd in Amsterdam ‘het nieuwe Missing Peace public diplomacy project’ gepresenteerd. Na de toespraak van de Israëlische ambassadeur, Harry Kney-Tal, sprak Frits Bolkestein zijn vriendschap voor Israël uit maar hij ‘durfde’ ook te vragen waarom Israël tijdens de vredesonderhandelingen met de Palestijnen de bouwstop in bezet gebied niet verlengde. Het hervatten van de bouw in bezet gebied noemde Bolkestein gekkenwerk. Kney-Tal antwoordde daarop dat de nederzettingen nooit het probleem zijn geweest in de vredesonderhandelingen en dat handhaving van de bouwstop zou betekenen dat Israël aan Palestijnse voorwaarden vooraf zou toegeven. Een nogal gebrekkige argumentatie: de nederzettingen zijn niet hét maar wel degelijk een (zeer centraal) probleem of obstakel in de onderhandelingen, en handhaving van de bouwstop terwijl onderhandelingen op het punt staan te beginnen zou een gebaar van goede wil zijn, niet een toegeven aan voorwaarden vooraf. In deze context was het interessant om te lezen dat Missing Peace, dat vooral faire en juiste berichtgeving over Israël als doel zegt te hebben en het graag over feiten heeft, in zijn nieuwsbrief over de bijeenkomst schreef dat de kritiek van de voormalige EU-commisaris door de ambassadeur ‘weerlegd’ werd. Het zal wel. Dit incident maakt in meerdere opzichten duidelijk waar Israëls PR-schoen hem wringt. Allereerst werd weer eens duidelijk dat je het niet over Israël kunt hebben zonder Israëls beleid in bezet gebied te noemen. Zeg je tegenwoordig Israël dan zeg je bezetting en nederzettingen. Of die één-op-één associatie juist of rechtvaardig is doet er niet echt toe, het gaat bij PR ook en vooral om perceptie. In dat opzicht zijn de nederzetingen dus wel degelijk een groot – wellicht het grootste – probleem aan de Israëlische kant van de onderhandelingstafel. Daarnaast ging het vorige maand net als bij zo goed als elke pro-dit of anti-dat bijeenkomst weer vooral over de fouten die ‘de andere kant’ maakt, en over de misdaden die ‘de andere kant’ bedrijft, en over het onrecht en de onheuse bejegening die ‘onze kant’ ten deel vallen. Voor pro-Israël activisten draait het toch vooral om misstanden aan Palestijnse zijde en om blunders of minder sympathieke bezigheden van (ultra-)linkse organisaties en anti-Israël groeperingen. Zelden zullen zulke activisten de vraag stellen wat er nu werkelijk door Israël gedaan kan worden om vrede dichterbij te brengen en Israëls positie te verbeteren (twee dingen die met elkaar samenhangen, maar dat is weer een ander verhaal). Dat dit ook aan ‘de andere kant’ gebeurt (Anja Meulenbelt, Een Ander Joods Geluid, ik noem waar wat) is geen excuus voor het chronische gebrek aan zelfkritiek en introspectie onder Israëls pleitbezorgers. Bovendien bleek wederom dat vandaag de dag zelfs de vrienden en bondgenoten van Israël – en Bolkestein behoort ongetwijfeld tot die groep; ook toen ik hem twee jaar geleden voor een boek interviewde liet hij blijken een waardevolle, kritische vriend van het land te zijn – nauwelijks begrip kunnen opbrengen voor het feit dat Israël de bezetting te vuur en te zwaard verdedigt en voortzet, en dat de Israëlische regering en haar vertegenwoordigers weigeren in te zien dat buiten Israël vrijwel niemand Israëls gezag buiten de Groene Lijn erkent. Verder moet hier nog vermeld worden dat bij PR professionalisme, communicatie en een algemene indruk essentieel zijn. In Nederland is Israëls positie in dat opzicht nog beroerder dan elders ter wereld. Op de ambassade in Den Haag spreekt geen enkele officiële woordvoerder Nederlands (en het Engels van Israëliërs klinkt vaak tamelijk aggressief en onbeholpen). Het CIDI werkt bewonderenswaardig hard maar beschikt niet over voldoende mankracht. Op de bijeenkomst van Missing Peace werd overigens duidelijk dat men ook bij het CIDI niet op Missing Peace zit te wachten. Dat Yochanan Visser, de initiatiefnemer van Missing Peace, zelf in de nederzetting Efrat woont – en dus niet in Israël, zoals hij wil doen voorkomen – ondergraaft zijn zeggingskracht en is een wapen waar zijn tegenstanders graag en vaak naar grijpen. Tijdens de Gaza-oorlog (2009) meldde het Israëlische ministerie van buitenlandse zaken trots dat veel bloggers gehoor hadden gegeven aan de oproep van het ministerie om te helpen met de hasbara. Israël wil op dit gebied voor een dubbeltje op de eerste rang zitten. De resultaten zijn ernaar. Tenslotte, en dit houdt rechtstreeks verband met het eerstgenoemde opzicht, zijn er gewoon dingen die onverkoopbaar zijn. Trieste en constant terugkerende verhalen over Palestijnen wier leven door Israëlische (tiener)soldaten of kolonisten wordt bemoeilijkt of verziekt kun je niet goedpraten met een Powerpoint presentatie. Dat Israëls minister van buitenlandse zaken de leider is van een racistische partij valt niet te verbloemen, evenmin als het feit dat dat racisme steeds voel- en zichtbaarder wordt in Israël. Je kunt het Israëls tegenstanders en vijanden niet kwalijk nemen dat ze op dit soort dingen inspelen. Israël en zijn pleitbezorgers moeten meer dan nu het geval is de hand in eigen boezem durven te steken, niet alleen maar om te zeggen dat fouten zijn gemaakt maar vooral ook om na te gaan hoe het anders, beter kan. Het land moet zijn ware vrienden – en dat zijn er nog heel veel, is mijn persoonlijke ervaring – omhelzen, naar hen luisteren, hen op waarde schatten, en hun vriendschap niet voor lief nemen. Ook moet men in Jeruzalem beginnen te snappen dat PR meer is dan geweeklaag en tandengeknars, en dat goede verkoopresultaten afhankelijk zijn van een goed produkt. Bovenal, Israël zal eerst zelf moeten beslissen wat voor land het wil zijn en waar het heen wil, voordat het erin zal slagen om zijn eigen visie op de ingewikkelde Israëlisch-Palestijnse en regionale werkelijkheid aan de wereld te slijten.

Wednesday, November 03, 2010

Rabin & Van Gogh

Two victims of religious-political terror. Neither of them was a saint, but both men were pretty brave and straightforward. Both Yitzhak Rabin and Theo van Gogh were murdered in the first week of November. Each of their murderers is probably - and can definitely be - quite satisfied when he sees what his country looks like today: seen from their respective, sick and twisted worldviews, both murderers did an excellent job, which accomplished what they appear to have aimed at.
Yitzhak Rabin ( 1922 - 1995, painting by Peter Max )
Theo van Gogh ( 1957 - 2005, painting by Markus Andersson )

Tuesday, November 02, 2010

Geen excuus voor politiek geweld

Het volgende artikel staat vandaag in het Reformatorisch Dagblad. Dezer dagen worden wederom in Israël de moord op Yitzhak Rabin en in Nederland de moord op Theo van Gogh herdacht. Beide moorden zullen hoogstwaarschijnlijk de komende jaren niet echt worden vergeten, maar toch heb ik de indruk dat veel Nederlanders en Israëliërs nog nauwelijks geloven in de noodzaak van het herdenken ervan. Yitzhak Rabin had in ieder geval de 'mazzel' dat hij premier was toen hij werd vermoord. Israël kan niet om de moord heen, scholen, gemeentes en instellingen moeten er wel aandacht aan besteden. Je kunt tijdens de officiële herdenkingsceremonies aan de gezichten van sommige rechtse politici haast zien dat ze er niet geheel uit vrije wil bij aanwezig zijn. Voor de meeste Israëlische schoolkinderen is het nog zo'n herdenkingsdag, één van de vele in het Israëlisch-Joodse jaar. De unieke betekenis ervan – een regerende premier van de Joodse staat werd om zijn politieke ideeën, en om een politiek proces te stoppen, door een fanatiek-religieuze Jood vermoord – gaat volgens mij aan veel jongeren en volwassenen voorbij. Theo van Gogh was een privé-persoon, en nog tamelijk controversieel ook, dus moet hij het met nog minder aandacht en empathie doen. Vorig jaar was die aandacht nog beperkter dan voorheen, met als centraal evenement een armzalige bijeenkomst waarbij de Vrienden – let op de hoofdletter – van Pim Fortuyn, Van Goghs ouders, Rita Verdonk, en Ahmed Marcouch aanwezig waren. Wat een jaar geleden het dichtst in de buurt kwam van een passende herdenking was een aardige serie interviews in het Parool, onder de titel “Van Gogh: 5 jaar na de moord”. Ook in het geval van Van Gogh wordt er niet of nauwelijks aandacht geschonken aan het unieke karakter van de moord: een Nederlander werd om wat hij zei en schreef door een fanatiek-religieuze mede-Nederlander om het leven gebracht. We zijn een beetje herdenkingsmoe. Er wordt natuurlijk ook wel heel veel herdacht, en op vrijwel elke schokkende gebeurtenis volgt tegenwoordig op zijn minst een stille tocht. Toch zijn het niet die moeheid en het gebrek aan publieke aandacht voor het unieke karakter van deze twee moorden die mij het meeste storen. Waar ik me vooral aan erger, en zorgen om maak, is het feit dat verbaal en fysiek geweld bijna een geaccepteerd verschijnsel zijn geworden in de politiek, zowel in Nederland als in Israël. Hierdoor – en door een politieke polarisatie die globaal kan worden waargenomen – wordt weer eens duidelijk dat terreur de moeite loont en terrein wint. Dat we niet meer van zulk geweld opkijken is tot daar aan toe, hoe verschrikkelijk dat ook is. Erger dan het door de vingers kijken, de gewenning, of het gedogen, zijn het begrip en het goedpraten van terreur, vooral in populistische kringen, links en rechts. Dit is duidelijk zichtbaar in anonieme commentaren die op sites als De Telegraaf worden gegeven als er weer eens iets negatiefs over een linkse partij, over Israël of de Verenigde Staten wordt bericht, of als de heilige Geert W. juridisch belaagd wordt. Een voorbeeld. Eind vorig jaar werd een Haagse wethouder bij een werkbezoek aangevallen. Ziehier een greep uit de reacties: "In den haag wachten we niet op verkiezingen we jagen ze zelf weg", "...deze man beledigt ons elke dag. [...] Dus ik begrijp de boze bewoner heel goed.", en “Wie wind zaait zal storm oogsten. De PvdA heeft echter storm gezaaid en zal dus een orkaan gaan oogsten. Geen medelijden mee, eigen schuld, dikke bult.” Natuurlijk waren er ook veel reaguurders die de aanval en dit soort reacties afkeurden. Toch was in mijn ogen de reactie die het meest zorgwekkend was en de huidige tijdsgeest het beste weergaf de volgende: “Mishandeling is afkeurenswaardig, maar onze wethouder Norder is de meest arrogante nare bestuurder die deze stad ooit gehad heeft. [...] De woede van de bewoners is...terecht.” Dit soort “...maar...” redeneringen is een overwinning voor terroristen, of ze nou Mohammed B. of Yigal A. of Volkert van der G. heten. “Moorden mag niet, maar die Van Gogh was natuurlijk wel erg grof.”, “Oh wat erg, maar Rabin had nooit delen van het Heilige Land mogen opgeven.”, “Arme Pim, maar goed, wie polariseert kan de bal verwachten”, “Die arme mensen in de Twin Towers/in dat restaurant, maar ja, die Amerikanen/Joden/Israëliërs denken ook dat ze kunnen doen wat ze willen.” Deze vorm van ‘maar’ laat zien dat terroristen, wereldwijd, op steun en begrip kunnen rekenen, ook van mensen die, als je hen er rechtstreeks naar vraagt, terreur in alle toonaarden zullen veroordelen. Kunstmatig herdenken heeft geen zin, zolang vrijwel alle ‘gewone’ Nederlanders en Israëliërs niet luid en duidelijk zeggen – en, minder luid, weten en snappen – dat er in een democratie voor politiek geweld geen begrip, plaats of excuus mag en kan zijn. Punt uit.