Saturday, April 16, 2011

Zonder overbodig commentaar



Uit Jacques Presser, Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom, 1940-1945 (Deel I, Hoofdstuk 1, Naar het isolement: mei 1940-september 1941, tweede deel van het hoofdstuk, met als ondertitel: De eerste maanden; in de nieuwste editie (2005) pp. 21-23, in de editie die online te vinden is op de website van de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren (1985) pp. 22-24) 

(Na een bespreking van de eerste voel- en zichtbare anti-joodse maatregel van de Duitsers en de onder hen dienende Nederlandse autoriteiten - het verwijderen van "alle Joden, alle onderdanen van staten, met Duitsland in oorlog", en "alle anti-Duits gezinde Nederlanders" uit de Dienst Luchtbescherming - schrijft Presser het volgende:)

In de Dienstbesprechung, welke op 16 juli 1940 bij de reeds genoemde Generalkommissar Schmidt plaats vond, treft men de vroegste aankondiging in het materiaal van een maatregel, die al langer moet zijn overwogen. In de notulen staat immers sub 10: ‘Schächtverbot wird eingeführt werden, Propaganda lenkt allmählich darauf hin’.
  Enigszins in tegenspraak hiermee is toch wel de zeer onopvallende wijze, waarop de Deutsche Zeitung in den Niederlanden op 4 augustus het bericht brengt van de inmiddels uitgevaardigde verordening. Moet men aannemen, dat de periode van de ‘Zurückhaltung’ nog niet helemaal voorbij was? Het is mogelijk. Van die propaganda zijn in het materiaal niet veel sporen overgebleven. Natuurlijk hing het verbod van ritueel slachten, van het ‘Schächten’, in de lucht. In Duitsland was het een van de eerste wetten geweest, door het Nazi-bewind uitgevaardigd; in de chronologische lijst van Blau van de 400 nummer 5 en 6 (21/22 april 1933). Waardoor en waarom dit rituele slachten daar en elders zozeer de toorn van bewuste of minder bewuste antisemieten placht of pleegt op te wekken, zij de psychologen overgelaten, die tevens het antwoord kunnen geven op de door Herzberg impliciet gestelde vraag, wat de betekenis is van het motief van de dierenbescherming, niet zelden opgegeven door lieden, die op jacht niet terugdeinzen voor de afschuwelijkste wreedheid tegen deze schepselen. Als gezegd: het verbod hing in de lucht en men vindt het ook nog vóór de uitvaardiging enige malen in de notulen van de vergaderingen van de secretarissen-generaal. De eerste keer op 22 juli, waarbij wordt vastgesteld, dat de aangelegenheid onder Economische Zaken valt en dat ‘de Heer Scholtens (van Sociale Zaken, J.P.) zal trachten om terzake tot een regeling te komen’. De slotzin is in het licht van later waard aan de vergetelheid te worden ontrukt: ‘Het ware zaak te vermijden dat hierdoor de Jodenkwestie naar voren gebracht wordt’. Op 25 juli deelt de heer Scholtens mede, dat er in overleg met ‘de rabbijnen hier te lande’ een regeling was getroffen nopens de rituele slachting; de notulen van 31 juli verraden, dat men weet, dat er een Duitse verordening komt en dan volgt een tweede zin, hier letterlijk weer te geven: ‘Hoewel het wellicht wenselijk ware geweest zulks van Nederlandse zijde te bepalen, schijnt hierin geen verandering gebracht te kunnen worden’.
  Men zou hieruit willen afleiden, dat men een Nederlandse verordening heeft overwogen, die de dreigende maatregel op voor Joden zo gunstig mogelijke wijze zou opvangen en dat dit niet gelukt is. Hoe dan ook, de verordening kwam en wanneer men zich in de zomer van 1940 terugverplaatst, is het niet onmogelijk, aan te nemen, dat ze zowel het college van secretarissen-generaal als ook anderen, de Joden zelfs, nog is meegevallen. Als dat het ergste was...
  Want gáát zij eigenlijk wel tegen de Joden? Het opschrift spreekt alleen van ‘Vermeidung von Tierquälerei beim Viehschlachten’ en de vier artikelen, die ze telt, gewagen nergens van hen; deze verordening nr. 80 van 31 juli 1940 staat in een gewoon rijtje met nr. 81 (‘zur Bekämpfung der widernatürlichen Unzucht’) en 82 (‘über Typhusschutz-impfung)’. Ze schrijft verdoving voor van warmbloedige dieren vóór het vloeien van het bloed, stelt de straffen vast bij overtreding en geeft als datum van inwerkingtreding aan: 5 augustus. Geen kwaad aan boord, zou men kunnen zeggen. En hebben misschien ook wel velen gezegd. In een stuk van veel latere datum (30 september 1942) komt men van Duitse zijde hierop nog even terug; men had ‘aus Entgegenkommen gegenüber der bekannten Einstellung der Bevölkerung zur Judenfrage’ geen ritueel slachtverbod uitgevaardigd, alleen maar het doden van dieren zonder voorafgaande verdoving verboden. Het merkwaardige is, dat deze verordening, als zovele Duitse maatregelen die er op zouden volgen, een aantal, hier zelfs het overgrote deel van de Joden, de illusie kon schenken: dit raakt ons niet zo erg, dit raakt anderen. De anderen waren hier de orthodoxe Joden, de enigen, die getroffen leken. Men wilde, zegt Berkley, hen òf tot overtreding dwingen, òf hun het eten van vlees onmogelijk maken. Wat men ‘wilde’, zij nog even in het midden gelaten, maar dit is in elk geval in die zomer van 1940 de interpretatie geweest van serieuze, geenszins lichtvaardige Nederlanders, Joden en niet-Joden - en, zoals men ziet, ook na 1945. Of toen al bij de Duitsers de bedoeling voorgezeten heeft, de Joden te verdelen en daardoor beter te beheersen, zoals dat later inderdaad door hen bewust moet zijn gedaan? Het is mogelijk, maar wij durven niet méér hiervan zeggen.

No comments: