Thursday, July 05, 2012

Artikel: Vrijheid, van godsdienst e.d.


Het volgende artikel stond deze week in het Friesch Dagblad. Ik schreef het in een opwelling, in minder dan een uur, nadat ik tijdens het wachten in een vertrekhal twee artikelen in een andere krant had gelezen.


Als historicus, met de Holocaust als één van mijn specialisaties, ben ik gewend om te werken met documenten, getuigenissen, films en foto's die emotioneel soms zeer belastend kunnen zijn. Met name sinds ik zelf vader ben moet ik regelmatig slikken als ik over het lot van Joodse kinderen tijdens de periode 1933-1945 en de jaren daarna lees. Ik kan me twee gevallen herinneren waarbij ik letterlijk tranen in mijn ogen kreeg. In 2003 las ik in een boek van Frits Abrahams, Liefde en ander leed, de column 'Bram en Eva'. Daarin vertelt Abrahams het verhaal van Bram en Eva Beem, twee ondergedoken Joodse kinderen van tien en twaalf jaar. In 1988 had Teake Zijlstra, een journalist van de Leeuwarder Courant, al beschreven hoe zij, na verraad, in februari 1944 door vier Nederlandse mannen werden opgepakt. Daarna werden ze gedeporteerd en in Auschwitz vergast. Hun ouders, Hartog en Rosetta Beem, die al in 1931 een vijfjarig zoontje hadden verloren door een verkeersongeval, waren elders ondergedoken, en hoorden pas na de oorlog dat hun twee kinderen vermoord waren. Ik huilde toen ik de beschrijving, door Frits Abrahams, van Bram en Eva's arrestatie las: "De kinderen en ouderen werden van hun bed gelicht. De kinderen riepen huilend dat ze geen joden waren. De mannen dwongen Bram zich te ontkleden en zagen toen dat hij besneden was. […] Ik zie het tafereel te scherp voor me: die mannen die naar dat piemeltje turen en elkaar dan verheugd aankijken. Beet!". Iedere keer wanneer ik de luier van onze zoon verschoonde (hij was in november 2002 geboren, en 'natuurlijk' besneden, net als ikzelf en al onze mannelijke vrienden, kennisen en familieleden hier in Israël) moest ik aan dat verhaal denken.

Het andere geval dat ik me helder voor de geest kan halen betrof een foto die ik tegenkwam tijdens een bezoek aan Yad Vashem, het Holocaust museum en monument in Jeruzalem. Ik was daar ruim tien jaar geleden om een prijs in ontvangst te nemen, samen met mijn vrouw en mijn schoonmoeder, die als baby met haar moeder de Holocaust in Zuid-Frankrijk overleefde dankzij de hulp van niet-joden. Haar vader werd in februari 1943 opgepakt en via Drancy naar Maidanek gedeporteerd, waar hij vermoord is. Op de foto die mij deed huilen was een besnijdenisceremonie in het ghetto van Warschau te zien. Iedereen die de geschiedenis van dat ghetto kent weet dat de kans dat de baby, de vader, de mohel (de man die de besnijdenis uitvoert, een belangrijke en zeer respectabele functie in elke Joodse gemeenschap) en alle andere personen op de foto de Holocaust overleefden nihil is.

Na de publieke strijd rond het ritueel slachten van de afgelopen jaren was het slechts een kwestie van tijd voordat ook het besnijden (wederom) ter discussie zou worden gesteld. De recente uitspraak van een rechter in – uitgerekend – Duitsland heeft die discussie weer aangewakkerd. Ook nu wordt weer gesteld dat vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap de Holocaust als oneigenlijk argument aanvoeren. Als – seculiere – Jood én als historicus kan ik echter niet om dat argument heen. Ook vrijwel alle Joden die zichzelf als niet-religieus zien en slechts een klein deel van de 613 ge- en verboden van het jodendom bewust in acht nemen laten hun zoons besnijden. Dit gebeurde zelfs tijdens de meest donkere en levensgevaarlijke dagen in de aan dergelijke dagen helaas al te rijke geschiedenis van het Joodse volk. De besnijdenis is meer dan een religieus gebod, het is een essentieel element van het Joodse bewustzijn. Niet zomaar is dat element een doorn in de ogen van veel niet-joden.

Haat en onbegrip voor alles wat naar geloof en religieuze gebruiken riekt hebben de laatste jaren stevig wortel geschoten in Europa. De wandaden van islamisten en andere religieuze fanatici zijn daar mede debet aan. Het in twijfel trekken van het recht op puur religieuze en op religie gebaseerde vrijheden maakt deel uit van dit proces. Gelukkig is er ook in niet-joodse kringen nog steeds begrip en steun voor het recht van Joodse Nederlanders, Duitsers, Fransen etc. om hun kinderen te laten besnijden. Het is opvallend maar niet verbazingwekkend dat die steun en dat begrip – net als bij de discussie rond het rituele slachten – vooral zicht- en hoorbaar zijn onder praktizerende christenen, en dan met name de protestanten onder hen. Niet alleen geloven zij heilig in het recht van Joden om dit eeuwenoude gebod uit te voeren, ze storen zich ook aan de voortschrijdende intolerantie ten aanzien van religie en gelovigen in het algemeen. Die verminderde verdraagzaamheid bedreigt fundamentele vrijheden van ons allemaal.

Het deed mij vorige week goed om bijvoorbeeld een artikel van Bart Bouter en het daaraan voorafgaande commentaar van de hoofdredactie van het Reformatorisch Dagblad te lezen. Opnieuw blijkt glashelder wie in Nederland de trouwste en meest hartelijke bondgenoten van Israël en de Joodse gemeenschap zijn. En ik doel daarmee niet op de volgelingen van Geert Wilders. Diens beweging is juist één van de hoofdverantwoordelijken voor het aanzwengelen van de discussies over twee onderwerpen die bijna zeventig jaar lang terecht taboe waren, en steunt vooral de extremistisch nationalistische partijen in Israël. Met dergelijke 'vrienden' hebben we geen vijanden nodig. Gelukkig zijn er ook nog echte vrienden.


No comments: