Friday, August 31, 2012

Artikel



Het volgende artikel stond gisteren in het Reformatorisch Dagblad. Ik schreef het twee weken geleden, vlak voordat ik terug naar huis vloog.

Een dikbelegde boterham met tevredenheid
Bert de Bruin
Terwijl ik dit schrijf zit ik in mijn ouderlijk huis in Leerdam, de stad waar ik ben opgegroeid en die ook na twintig jaar nog als thuis voelt. Vanavond vlieg ik weer terug naar huis, in Israël, na een verblijf van zeven weken bij mijn vader. Voor het eerst sinds ik naar Israël emigreerde ben ik zo lang alleen van huis én aan één stuk in Nederland geweest. Ik heb hier mijn proefschrift zitten afschrijven. Dat is nu klaar, op nog wat kleine technische correcties na. Na de Hoge Feestdagen (Joods Nieuwjaar, Grote Verzoendag, Loofhuttenfeest: eind september, halverwege oktober) ga ik naar de universiteit om alles in te dienen. En daarmee kom ik bij een aanleiding voor het schrijven van dit artikel. Het is namelijk maar de vraag of de universiteit tegen die tijd open zal zijn.
Het belangrijkste nieuws in Israël – naast enkele mensen die zich (uit socio-economische wanhoop?) in brand hebben gestoken, de medailleloze Olympische Spelen, zorgelijke ontwikkelingen in Syrië, Libanon, en Egypte – is al maandenlang de dreiging van een oorlog met Iran. Onze beveiligde kamer staat al weer klaar, met gasmaskers, water, voedsel, boeken, en spellen. Israël is een prachtig land, met heel aardige mensen, waarvan de meesten met hard werken een goed bestaan voor zichzelf en hun kinderen kunnen opbouwen. Toch leven we daar constant met de dreiging van nog een oorlog. Hoezeer je ook aan zulke onzekerheid went, normaal wordt het nooit, en frustrerend en gekmakend blijft het.
Ik heb vanaf 1 juli dagelijks acht tot twaalf uur zitten werken. In al die tijd heb ik twee en een halve dag echt vrij genomen. Eén middag en avond ben ik in Amsterdam geweest, één middag heb ik met vrienden van de middelbare school afgesproken in Utrecht, en ik heb een dag in Noord-Brabant en Limburg met de trein getoerd en daar een paar steden bezocht. Ik kan niet zeggen dat ik het Nederlandse volksgevoel anno 2012 gronding heb onderzocht, maar wel heb ik iedere avond het journaal gezien, online het nieuws in Nederland, Israël, en elders ter wereld goed gevolgd, en veel met mijn naaste familie en andere Nederlanders gesproken.
Waar ik van genoot, steeds wanneer ik onder de mensen was (in de stad, op de fiets, in de trein, in winkels), was de rust, de geweldige landschappen, het feit dat bijna alles (vrij/zeer) goed functioneert, dat het op de meeste plaatsen schoon is op straat, dat oorlog of terreur nauwelijks als gespreksonderwerp opkomen, en dat de meeste mensen ondanks de crisis tijd en geld hebben om leuke dingen te doen. Wat mij daarentegen constant opviel als mensen online, op de televisie, of met mij over politiek geladen onderwerpen praatten – of het nou ging over het openbaar vervoer, de zo veelbesproken zorg, Europa in het algemeen en Zuid-Europa in het bijzonder, en ga maar door – waren het ongenoegen, de onvrede, de klachten en ergernissen die de boventoon voerden. Bijna niemand die je hoort over wat er allemaal goed en mooi is in Nederland. En dat is (nog steeds) zo ontzettend veel.
Klaag ik over het leven in Israël? Echt niet, ik heb het daar goed naar mijn zin, en ben gezegend met een lieve vrouw, prachtige kinderen, en een leuke baan. Al met al een goed leven. Is er dan niets te verbeteren in Nederland? Natuurlijk wel, en misschien wel heel veel. Ik heb in zekere zin in een zeepbel geleefd, hier in Leerdam. Er bestaat ongetwijfeld armoede in Nederland, en ongelijkheid. Mensen verliezen hun baan, sommige dingen kunnen efficiënter en publieksvriendelijker gedaan worden, er is verloedering, veel mensen zouden geduldiger en wat minder lomp kunnen zijn, en – iets wat me enorm stoort en flink wat zorgen baart – tolerantie ten opzichte van religies en gelovigen is vaak ver te zoeken. Bovendien is alles in de zomer en de vakantie natuurlijk minder druk, gemoedelijker en meer ontspannen dan normaal, dus ik heb misschien wel Nederland in optima forma gezien. Wat ik echter met dit artikel zou willen zeggen is dat de ontevredenheid, de rancune, het geklaag in Nederland zo niet ongegrond dan toch zeker overdreven zijn. Bovendien, ze zorgen niet voor oplossingen, integendeel. Als iedereen eerst eens zijn zegeningen telt voordat hij begint te klagen of te beschuldigen, zal hij zien dat Nederlanders vooral veel hebben om dankbaar voor en trots op te zijn. En dat bindt, en zou een basis moeten zijn om samen naar oplossingen voor problemen te zoeken. Zelfs in een land als Israël (waar de meeste mensen het vergeleken met de buurlanden erg goed hebben) ziet men Nederland als een hemel op aarde. Kun je nagaan hoeveel redenen tot tevreden- en dankbaarheid Nederlanders hebben als ze even verder kijken, en denken aan de mensen in landen als Syrië, Iran, Afghanistan, of Somalië. Of Griekenland, of Polen, waarvandaan mensen hiernaartoe komen om hard te werken voor een loon en onder omstandigheden waar Nederlanders hun neus voor ophalen.
Natuurlijk zal geen populist een boodschap aan mijn boodschap hebben. Populistische partijen en hun Leiders leven nu eenmaal bij de gratie van rancune en ontevredenheid. Maar populisten werken ook volgens het “U vraagt, wij draaien” principe. Dus misschien moeten u en ik als kiezers hen maar eens duidelijk maken dat we meer op inspiratie en oplossingen dan op wrok en aantijgingen zitten te wachten.

1 comment:

S. van Tijn said...

Een goed artikel. Ook ik heb hier een goed leven met man, kinderen en kleinkinderen. Het enige wat er aan ontbreekt is rust... zonder oorlogsdreiging, de rust van Nederland, vooral 's zomers en buiten de grote steden.
Sjabbat sjalom.